Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

543 - Gij zijt in glans verschenen


Een eerste kennismaking

Op de tweede zondag van de veertigdagentijd wordt elk jaar het evangelie gelezen over de verheerlijking op de berg (Matteüs 17,1-9 en parallelle perikopen). Het lied ‘Gij zijt in glans verschenen’ is bij deze perikoop geschreven. De dichter, Gabriël Smit, schreef geen berijming van de tekst, maar een meditatie over het lijden van Christus in het licht van de opstanding. Dit lijden wordt hier niet beschreven als een feit van lang geleden; Christus lijdt dagelijks aan de nood van de wereld (strofe 2), zijn lijden is zijn dagelijkse dood. Christus’ verschijning in heerlijkheid is al een beeld van de opstanding (zie het tweede gedeelte van de tweede en derde strofe).
Het lied behoort tot de vroege rooms-katholieke liederen in de volkstaal bestemd voor de liturgie en dateert uit de jaren vijftig van de twintigste eeuw. De melodie van Herman Strategier is oorspronkelijk geschreven bij een paaslied van Louis Huf S.J. (1901-1970), maar leeft nu voort met deze tekst. De A-A-B-A-vorm van de melodie met de identieke eerste, tweede en vierde regelparen komen vaak voor bij volksliederen, denk bijvoorbeeld aan ‘De winter is vergangen’. Door deze herhalingen is de melodie eenvoudig te zingen.

Auteur: Pieter Endedijk


Gabriël Smit
Herman Strategier

Tekst

Achtergrond en context

Het lied ‘Gij zijt in glans verschenen van de katholieke dichter, schrijver en journalist Gabriël Smit (1910-1981) is al van wat ouder datum. Het dateert uit de jaren vijftig van de vorige eeuw en ademt de sfeer van de lijdensmeditaties die toen veelvuldig werden gehouden. Volgens het speurwerk dat Wim Kloppenburg heeft gedaan (Muziek & Liturgie 81 (2012) nr. 6, blz. 28-31) is het lied voor het eerst uitgegeven in de bundel Zoals de waard is, een themanummer van het tijdschrift Wending. Maandblad voor evangelie en cultuur in juni 1957. De eerste regel is daar tevens de titel waar de aanwijzing aan toegevoegd is: ‘Zondagslied voor het evangelie van de verheerlijking op de berg’. Vlak daarna werd het opgenomen in de eerste editie van De adem van het jaar (1962) bij zondag ‘Reminiscere’ waar het als opschrift kreeg Van de verheerlijking. In de nieuwe editie van De adem van het jaar (Mededelingen Prof. dr. G. van der Leeuw-stichting 48 (Amsterdam 1975), p. 3550) is dit opschrift verdwenen. Ook in de latere zangbundels werd het lied steevast opgenomen met de eerste regel als titel: Randstadbundel (1970, nr. 265); Zingt Jubilate (1977, nr. 403); Gezangen voor Liturgie (1983, nr. 450); Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 615) en Tussentijds (2005, nr. 148). De verwijzing naar de verheerlijking op de berg, ook wel gedaanteverandering of transfiguratie genoemd, is wellicht verdwenen omdat het lied breder inzetbaar is dan alleen op de zondag waarop de betreffende perikoop wordt gelezen (Matteüs 17,1-13; Marcus 9,2-13; Lucas 9,28-36), de tweede zondag in de veertigdagentijd.

Vorm

Het lied kent drie gelijke strofen van acht regels en is geschreven in een strak rijmschema met gebruikmaking van gekruist rijm waarbij de regels telkens om beurten op elkaar rijmen (a-B-a-B-c-D-c-D). Door de herhaling van de eerste regels van strofe 1 in strofe 3 stemmen daar ook de rijmwoorden en rijmklanken overeen; voor het overige varieert het rijm. Het lied kent veel open of brede klanken (ij/ei, ee, oo, aa) wat het geheel een vlot ritme geeft. Ook de herhaling van ‘verschenen’ op het einde van regel 1 en het begin van regel 2 in strofe 1 en strofe 3 versterkt dit vlotte ritme. Ten slotte valt op dat er verspreid over het lied veel woordherhalingen voorkomen. Naast het reeds genoemde ‘verschenen’ (met als variant ook nog ‘verschijnen’) kunnen genoemd worden ‘glans(t)’, ‘dood’, ‘straalt’, ‘heerlijk(heid)’, ‘pijn(en)’, ‘glorie’, ‘kruis(gang)’.

Inhoud

De verwijzing naar de verheerlijking op de berg als opschrift of toevoeging bij het lied is in het Liedboek evenals in andere liedbundels dan wel verdwenen, maar de tekst van het lied zinspeelt nadrukkelijk op deze gebeurtenis zoals beschreven in de synoptische evangeliën. In gezelschap van drie leerlingen ‘veranderde Jezus van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jezus in gesprek waren.’(Matteüs 17,2-3) Jezus verbiedt de leerlingen iets te vertellen van wat ze gezien hebben voordat de Mensenzoon uit de dood is opgewekt, en vervolgens zegt Hij dat de Mensenzoon eerst zal moeten lijden (Matteüs 17,9.12). Deze drie elementen heeft de dichter op een eigen wijze uitgewerkt en met elkaar verbonden. In het lied heeft hij gedaanteverandering, Pasen en Goede Vrijdag bij elkaar gebracht. Hij schenkt daarbij veel aandacht aan het lijden, maar doet dit vanuit het perspectief van Pasen. Daarbij resoneert in het lied voortdurend de spanning tussen enerzijds het lijden en de dood en anderzijds de verheerlijking, die in Christus met elkaar verbonden zijn.

Strofe 1

In het lied richt de zingende gemeente zich tot Christus. Hij is het die door de gemeente (‘ons’) wordt aangesproken: ‘Gij’. Van Christus wordt gezegd dat Hij voor altijd in glans verschenen is. Door de vele herhalingen lijkt deze zin als een soort refrein de centrale gedachte van het lied uit te drukken. De openingszin wordt ook (vrijwel) letterlijk herhaald op het einde van strofe 1 en aan het begin van strofe 3, terwijl de gedachtegang in verwante omschrijvingen ook te herkennen is in regel 4 van strofe 1 en in de laatste regel van de strofen 2 en 3. Dat Christus in glans is verschenen en blijft verschijnen verwijst zowel naar de gedaanteverandering als naar Pasen. In het licht van Pasen wordt vervolgens uitgebreid stilgestaan bij het lijden: de martelgang, het lijden en de dood die Jezus op Goede Vrijdag ten deel vielen. Lijden en glorieuze verschijning en opstanding worden niet als louter historische gebeurtenissen in hun chronologische volgorde beschreven. De verschillende thematieken of invalshoeken keren regelmatig en door elkaar terug, als het ware om hun samenhang te beklemtonen; ze zijn niet los van elkaar verkrijgbaar. Na de openingszin wordt benadrukt dat het met de dood niet afgelopen is, dat de dood niet het laatste woord heeft. Dat is met Pasen duidelijk geworden in Jezus: hoewel dood en begraven, straalt Hij ons toe in heerlijkheid. Het lied suggereert vervolgens dat het lijden dat Jezus voor zijn dood moest ondergaan, nog steeds voortduurt en dat wij de veroorzakers ervan zijn. Jezus’ lijden wordt verbonden met ons handelen: ‘door ons U aangedaan.’ Doordat het lijden ons wordt aangerekend, wordt Goede Vrijdag naar het heden gehaald en geactualiseerd.

Strofe 2

Deze actualisering van het lijden en van Goede Vrijdag zet door in strofe 2. Alle nood en ellende die er in de wereld is, ondergaat Jezus zelf. Als er mensen gemarteld worden, wordt Hij gemarteld; als mensen lijden, lijdt Hij. En dat gebeurt nog steeds. Wij zijn degenen die dat doen; kijk maar naar de wereld om ons heen. Wij zijn het immers die mensen martelen en leed berokkenen. Zo vindt zijn gang naar de dood, zijn kruisweg nog steeds plaats en sterft Hij nog dagelijks. Wat de dichter hier zegt is een variant van de titel van de bestseller van het boek van Nikos Kazantzakis: Christus wordt weer gekruisigd uit de tijd van het ontstaan van dit lied en dat in 2016 weer is herdrukt. Dat wij de pijn en het leed veroorzaken, wordt ons echter niet nagedragen of aangerekend; er is geen sprake van haat of hoon.

Strofe 3

Het begin van strofe 3 bezingt de glansrijke verschijning van Christus weer met dezelfde woorden als strofe 1.Vervolgens springt de strofe nogmaals over naar de thematiek van lijden en dood. Het gaat nu echter over ons eigen leed dat opgeheven kan worden wanneer het in het perspectief van het kruis komt te staan en daarmee in het perspectief van Pasen. Het kruis, waarop het lijden zijn climax bereikt in de gewelddadige dood, is door Christus tegelijk het symbool geworden van de overwinning op de dood, door Gabriël Smit in beeldspraak omschreven als ‘licht van eeuwigheid’. Wie aldus zijn leven in het teken van het kruis stelt door Jezus na te volgen, zal delen in Gods heerlijkheid. Zowel het lied als deze strofe beginnen met Christus die in glans verschenen is, en ze eindigen met het uitzicht voor de mens om daar deelgenoot van te zijn.

Auteur: Louis van Tongeren


Melodie

De melodie van Liedboek 543 is van Herman Strategier (1912-1988), een componist die in rooms-katholiek Nederland grote bekendheid genoot. Hij schreef zijn muziek vaak ‘op verzoek’ en had bij het componeren altijd de mensen voor ogen voor wie hij schreef. Dit geldt ook voor dit lied van zijn hand. Als de gehele gemeente (het volk) moet gaan zingen, moet je het hun niet te lastig maken. Ook de melodie van dit lied is niet moeilijk. Hij had deze wijs hoogstwaarschijnlijk al eerder geschreven bij de tekst In eigen kracht verrezen, een paaslied uit het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw.

Volgens Wim Kloppenburg is dit laatst genoemde lied (tekst en melodie) geschreven in opdracht van de Nederlandse Sint-Gregoriusvereniging, bij gelegenheid van haar vijfenzeventigjarig bestaan, in 1953. Kloppenburg schrijft verder dat ‘deze theorie bevestigd lijkt te worden door een aantekening in de handgeschreven werkenlijst van Strategier. Onder nummer 147 noteert hij: “Thaborlied (G. Smit) (Gij zijt in glans verschenen), zie no 101, zangstem + orgel (aanpassing aan Paaslied (Huf)) 1958”. (…) Maar het verwarrende is dat nummer 101, waarnaar Strategier verwijst, betrekking lijkt te hebben op het manuscript van een heel ander Paaslied (eveneens op tekst van Huf), namelijk ‘Maria heeft met vreugde / haar lieve Kind aanschouwd. (…) Om het nog verwarrender te maken noteert Strategier onder nummer 319 van de lijst dat ‘In eigen kracht verrezen’ wordt gezongen op de wijs van ‘Gij zijt in glans verschenen’, terwijl vrijwel zeker het omgekeerde het geval is’ (Kloppenburg 2014, blz 23-24). Hij besluit zijn artikel met de opmerking dat van het laatste ‘een waterdicht bewijs vooralsnog ontbreekt’.

In Musique pour faire plaisir, over het leven en werk van Herman Strategier, schrijven de auteurs: ‘In de bundel ‘Alleluia, geestelijke liederen’ voor zangstem en orgel uit 1959 vinden we tien prachtige melodieën (samengesteld onder redactie van H. Schelbergen SJ en uitgegeven door Annie Bank, Amsterdam). De bekendste daarvan zijn ‘Gij zijt in glans verschenen’, waarvan Strategier in 1967 een nieuwe versie heeft gemaakt voor verschillende bezettingen, inclusief een voorspel voor orgel, en het lied ‘Heer, herinner u de namen’, ter gelegenheid van Allerzielen. Dit lied heeft Strategier niet alleen bewerkt voor sopraan, alt en orgel, in 1985 schreef hij over de melodie ook een reeks variaties voor orgel’ (Schrama en Stuifbergen 2013, blz. 40-41).

De genoemde bezettingen verschenen in de serie ‘Zang en Tegenzang’, uitgegeven door Annie Bank – op verzoek van dezelfde Nederlandse Sint-Gregoriusvereniging, die met deze bewerkingen koren in de rooms-katholieke kerkgemeenschap trachtte te stimuleren om (ook) Nederlandstalige gezangen te (gaan) zingen in de liturgie.

De melodie bestaat uit vier lange regels. Deze staan in het Liedboek genoteerd in acht korte regels. De regels 1, 3 en 7 zijn identiek, net zoals de regels 2, 4 en 8. Alleen regel 5 en 6 wijken af; daar bereikt de melodie (zoals vaak gebeurt na de helft van een lied) zijn hoogste toon. Korter gezegd: A-A-B-A. Ook de toonsoort in de begeleiding wisselt in het B-gedeelte: na F-majeur klinkt d-mineur, afgesloten met een a-mineur-akkoord.

De opmerkingen van Wim Kloppenburg wijzen op een contrafact. De melodie is erg zelfstandig, niet per se aan deze (of aan een andere) tekst gebonden. De melodie is dan ook bij andere teksten gebruikt, onder andere twee teksten van Willem Barnard: ‘De koning van de vrede’ (Gezangen voor Liturgie 425) en ‘Die vroeg zijn aangeworven’ (Zingend Geloven 1, nr. 5).

De omvang van nog geen octaaf (e’-d”) is prettig voor de gemeente.
Eerst cirkelt de melodie om de c”, de bovenkwint, die als structuurtoon heel belangrijk is. Dan daalt hij naar de grondtoon (f’). Dit procedé wordt herhaald. Het middendeel (regel 5 en 6) draait rond de a’, om te eindigen op dezelfde toon waar de melodie mee begint.

De maataanduiding is 2/2, de halve noot is dus teleenheid en bepaalt daarmee ook de manier waarop het lied gezongen gaat worden. Er is nauwelijks sprake van enig verschil in ritmiek. De melodie maakt overwegend gebruik van kwartnoten.
Halve noot = 60.

De begeleiding van de componist loopt helemaal met de melodie mee: iedere noot krijgt een eigen akkoord. In de voorlaatste maat van regel 2, 4 en 8 staan er in de bas twee halve noten, om als het ware het komende (half)einde voor te bereiden. Dat is niet het geval aan het einde van regel 6, want daar loopt de bas juist door. Geen stilstand, maar een oproep en een opmaat voor de afsluitende regel.

Auteur: Siem Groot

Bronnen

Wim Kloppenburg, ’Gij zijt in glans verschenen’. Muziek & Liturgie, 81 (2012) nr. 6, 28-31 en 83 (2014) nr. 1, 23-25.
Nico Schrama en Lourens Stuifbergen, Musique pour faire plaisir. Leven en werk van Herman Strategier. Breda 2013.


Media

Uitvoerenden: Kathedraalkoor Brugge o.l.v. Ignace Thevelein; Jos Bielen, orgel

Video: Gij zijt in glans verschenen; bron: http://www.liedbundelgvl.nl