Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

561 - O liefde die verborgen zijt


Jan Willem Schulte Nordholt
Willem Retze Talsma

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Dit lied heb ik zonder directe aanleiding geschreven, gewoon als dagelijkse krantenlezer, en met de vermaarde tekst van Blaise Pascal (1623-1662) in gedachten: Jésus sera en agonie jusqu’l’ la fin du monde: il ne faut pas dormir pendant ce temps-là. Die opmerking van Pascal is te vinden in zijn overdenking Le Mystère de Jésus, en ik heb bij het schrijven van dit commentaar dat ontroerende stuk weer eens gelezen. Pascal gaat uit van de principiële eenzaamheid van Jezus in Getsemane, ce délaissement universel, en spreekt dan met nadruk uit dat in Jezus niet alleen de enige kennis van God is, maar ook van onszelf, ook van het leven en de dood. De verbondenheid met Jezus wordt dan, vanuit de persoonlijke genade, ook tot een sociale relatie met de mensen: Considérer Jésus-Christ en toutes les personnes et en nous-mêmes… J’aime tous les hommes comme mes frères parce qu’ils sont tous rachetés. J’aime la pauvreté parce qu’il l’a aimée. J’aime les biens, parce qu’ils donnent le moyen d’en assister les misérables. Je garde fidélité à tout le monde. Om duidelijk te zijn, ik heb niet bedoeld een berijming van Pascals passage te maken, die was de achtergrond voor dit lied, dat verder geïnspireerd is door de actualiteit van onze boze wereld en natuurlijk uiteindelijk door de woorden van Christus zelf: ‘alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan’ (Matteüs 25,45).

Auteur: Jan Willem Schulte Nordholt


Melodie

De regels van het couplet zijn metrisch niet van elkaar gedifferentieerd, maar over deze regels is een tweedeligheid gelegd door de eindrijmklanken. Zo er al een scheiding is gemaakt tussen de totaalbetekenissen van de couplethelften, dan is deze open: de eerste helft wordt soms voor een aanroep, de tweede voor de daaropvolgende bede gebruikt (couplet 1 en 4); in couplet 2 zijn de beide totaalbetekenissen op hetzelfde niveau aaneengeschakeld, in couplet 3 is er een tegenstelling tussen beide. Eenmaal loopt zelfs het verband van betekenis over de grens van het couplet heen: couplet 4 en 5. Al met al, behalve in het laatste geval, een uitnodiging tot dóórzingen.

In de melodie zijn nu de metrisch identieke regels van de tekst door Willem Talsma ritmisch steeds anders gevormd langs lijnen van behoud en verandering. In principe zijn voor iedere regel vier kwartnootduren voorradig bij overigens halven; daarbij kan de eerste halve van een regel tot een kwart gereduceerd worden. In de eerste regel worden de vier kwarten aan het eind geplaatst; in de tweede regel evenzo, maar de eerste halve wordt een kwart; dit laatste wordt behouden in regel 3, maar twee van de kwarten aan het eind worden naar voor geplaatst; dit wordt weer behouden in de vierde regel, maar de kwart aan het begin wordt weer een halve. Deze combinatie van gelijk blijven en veranderen is iets om bedacht op te zijn bij het zingen.

De melodische gebeurtenissen kunnen tonaal als volgt worden beschreven. In regel 1 wordt een toon van referentie gevestigd (g’) met gelijke aandacht voor tonen onder en boven deze toon. De volgende regel start met dit referentiepunt en met de hoogste toon uit de eerste regel (bes’); deze laatste toon dient als referentie, maar niet op zo’n sterke wijze als g’ in regel 1: er wordt op voortgebouwd naar tonen hoger terwijl een slottoon is gezocht tussen genoemde tonen g’ en bes’ in. Regel 3 begint met referentietoon van de tweede regel bes’ en, na een tussenliggende toon, met de hoogste toon van die regel d”, welke laatste nu als referentie dient juist zoals bes’ dat eerder deed; op d” wordt een toon hoger gemaakt, het hoogste punt van de hele melodie, en de afsluiting wordt weer gemaakt tussen de tonen in die hun rol spelen in regel 2 en 3, namelijk bes’ en d’. De opbouw van regel 3 gelijkt dus zeer op die van regel 2. De laatste regel is als de eerste, maar via zijn begintoon wordt aangeknoopt bij het niveau van regel 3. De compositie van de melodie gebeurt tonaal naar behoud van bepaalde tonen en verandering van hun functie. Overigens wordt door het proces van behoud en verandering in ritmisch opzicht, dat boven beschreven is, een fijn spel gespeeld met de tonaal belangrijke tonen; zij worden steeds anders gewaardeerd door verschillen in duur in verschillende regels en binnen dezelfde regels.
Zonder te stellen dat dit een bepalende rol heeft gespeeld bij de compositie, is opvallend dat het hier beschreven lied in zijn tonale opbouw een aantal karakteristieken gemeen heeft met veel Britse traditionele ballades.

Auteur: Rokus de Groot


Media

Uitvoerenden: Schola Davidica o.l.v. Lisette Bernt; Gert Oost, orgel (bron: KRO-NCRV)

Video: Liedboek 561 (strofen 1, 2, 3) door Els Beelen, zang en Vincent van Laar, orgel (Dorpskerk Eelde).