Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

562 - Ik wil mij gaan vertroosten


Jaap Zijlstra vrij naar het zestiende-eeuwse lied ‘Ick wil mi gaen vertroosten’
Antwerpen 1539
Ik wil mij gaan vertroosten

Tekst

Herkomst en verspreiding

In 1539 verscheen bij drukker Symon Cock te Antwerpen Een devoot ende profitelijck boecxken, waarvan twee exemplaren bewaard zijn gebleven. Dit franciscaanse liedboek bevatte 259 liederen en was samengesteld door een minderbroeder van wie de naam onbekend is gebleven. Het was het eerste liedboekje waarin bij Nederlandse teksten een melodie genoteerd stond. Na een genoteerde melodie volgde een aantal liedteksten die daarop gezongen konden worden. Op folio 37 staat de melodie met de woorden van de eerste strofe van ‘Ick wil mi gaen vertroosten’ genoteerd:
Hierna staan de zeven coupletten van het lied afgedrukt. Daarna volgt ‘Op die selve wise’ het lied ‘Met desen nieuwen iare’. Vaak wordt beweerd dat minderbroeder Jan Brugman (±1400-1473) de maker van ‘Ik wil mij gaan vertroosten’ is, maar bewijzen hiervoor ontbreken.
De bundel kenmerkt zich door de grote hoeveel liederen waarin ruime aandacht is voor de lijdende Christus en voor verbondenheid met Maria. Deze aandacht moest leiden tot inkeer en zelfverloochening. Wat dit betreft, is ‘Ick wil mi gaen vertroosten’ een karakteristiek voorbeeld voor Een devoot ende profitelijck boecxken. De lieddichter wordt terneergedrukt door zijn zondige leven en roept Jezus aan om hem aan te zien, dat wil zeggen zich over hem te ontfermen. In de coupletten 6 en 7 roept hij respectievelijk Maria en alle heiligen aan om hem bij te staan:

Maria keyserinne
Des sondaers toeverlaet
Vercrijcht mi uws kints minne
Want mi nu nauwe staet.
O maghet wilt mi hooren
In mijnder noot bi staen
Noch roep ick als te voren
O Iesu siet mi aen.

O heylighen alle gader
Staet mi in noode bi
Wilt bidden God den vader
Dat hi mijnder ghenadich si
Mijn roepen en wil ic niet laten
Mocht ick ghenade ontfaen
Noch roepe ick macht mi baten
O Iesu siet mi aen.

Zoals uit deze twee coupletten blijkt, bestaat de tekst uit acht regels met afwisselend zeven en zes lettergrepen, waarbij elke regel drie jamben telt. Het rijmschema is a-B-a-B-c-D-c-D. De slotregel fungeert als refrein.

De liedtekst werd in de zestiende en begin zeventiende eeuw in een paar liedbundels opgenomen, maar raakte daarna in de vergetelheid. Het lied dook weer op in de negentiende eeuw. Nadat hij door de fameuze Duitse germanist en etnomusicoloog avant la lettre August Heinrich Hoffmann von Fallersleben (1798-1874) en de kerkhistoricus J.G.R. Acquoy (1829-1896) op de bundel was gewezen, zorgde de muziekhistoricus D.F. Scheurleer (1855-1927) in 1889 voor een heruitgave van Een devoot ende profitelijck boecxken. Via deze nieuwe editie werd het lied rond 1900 in liedbundels opgenomen, waaronder Nederlandsche volksliederen voor gemengd koor (Amsterdam 1902) en Oude en nieuwe zangen (Rotterdam 1911) van S.M. van Woensel Kooy. Het betrof steeds de eerste drie coupletten van het oorspronkelijke lied. In 1938 werden deze drie strofen opgenomen in de ‘Hervormde Bundel’ (gezang 154) en in 1973 ook in het Liedboek voor de kerken (gezang 174).

De redactie van het Liedboek – Zingen en bidden in huis en kerk vond de tekst te verouderd en besloot Jaap Zijlstra uit te nodigen een nieuwe tekstversie te schrijven. De nieuwe versie moest aansluiten bij de oorspronkelijke tekst, en de aanvangsregel en de slotregel dienden bewaard te blijven. Zijlstra nam de uitnodiging aan en dichtte een nieuwe versie, waarover hij aan de redactie van het compendium schreef dat het een lied was geworden dat hem ‘meer dan lief is’.

Tekst

In het eerste couplet ligt de nadruk op het beschrijven van het lijden van de Heer. Daarbij doen de regels 3-6 denken aan Christus in Getsemane (Matteüs 26,36-46).
In de refreinregel is de oude taalvorm ‘Jesu’ gehandhaafd en niet gewijzigd in ‘Jezus’. Dit voorkomt dat de woorden ‘O Jezus’ gezongen en beluisterd worden als krachtterm. Bovendien blijft door de oude vorm iets bewaard van de zestiende eeuwse herkomst van het lied.

Het tweede couplet verwoordt waarom de ik-persoon zich tot de Heer wendt: vanwege zijn ongehoorzaamheid, het niet opmerken hoezeer hij geliefd werd (door de Heer) en vanwege zijn doodlopende, verloren leven. Sterker dan in de oorspronkelijke tekst heeft Zijlstra een tegenstelling gecreëerd tussen enerzijds de ik-persoon die zich van de Heer afwendt (regel 1-3, 5) en anderzijds de Heer die ‘mij’ beminde, mij tot stilstand bracht en voor mij bidt (regel 4, 6, 7). ‘U bidt voor wie U hoonden’ (regel 7) is een verwijzing naar Lucas 23 vers 34 waar de gekruisigde Jezus bidt voor degenen die Hem beschimpen. Gezien de voorgaande regels ligt het voor de hand dat ik-persoon zich identificeert met de spotters.

Werd in de eerste strofe gezongen over het lijden van de Heer, in de slotstrofe wordt het waarom van zijn lijden verwoordt (‘om mijn zonden’). In de laatste drie regels wordt tevens duidelijk waarom de dichter zich tot de Heer keert. In deze regels klinken de woorden uit Psalm 31,3 door: ‘Hoor mij, haast u mij te helpen, wees voor mij een rots, een toevlucht, een vesting die mij redding biedt.’ Fraai is de versregel ‘Mijn toevlucht is uw naam’. De naam ‘Jezus’ betekent immers ‘Jahwe is redder’.


Melodie

In de twintigste eeuw, en vooral na de Tweede Wereldoorlog, werd dit zestiende-eeuwse lied populair. Dat is wellicht opmerkelijk gezien het – toen ook al – sterk verouderde taalkleed, maar blijkbaar staat of valt de populariteit daar niet (enkel) mee. Aspecten als de melodie en de klank van de woorden kunnen er kennelijk voor zorgen dat het oude taalgebruik niet of nauwelijks een belemmering vormt. Hiermee wil niet gezegd zijn dat de nieuwe tekst van Zijlstra er niet had hoeven te komen, maar wel dat vermoed kan worden dat de populariteit van het lied voor een belangrijk deel aan de melodie toegeschreven kan worden. Dit wordt onderstreept door het gegeven dat de melodie ook voor andere liedteksten is gebruikt, waaronder Liedboek 938 (‘Christus die u wilt tooien’) en 1010 (‘Geef vrede, Heer, geef vrede’).

Analyse

De dorische melodie wordt onder meer gekenmerkt door het gebruik van uitsluitend kleine toonafstanden (secunden en tertsen) en doordat de beweging hoofdzakelijk in kwartnoten verloopt.
De melodieregels 1, 3 en 6 cirkelen eigenlijk om één toon, de zogeheten ‘roeptoon’ (dominant). Aan het begin van de genoemde regels wordt deze toon drie keer achter elkaar gezongen. Door deze toonherhaling krijgen deze regels een uitgesproken roepend karakter. De relatie tot de tekst, en met name de slotregel, zal geen nadere toelichting behoeven.
De regels 1 tot en met 6 bewegen zich tussen de finalis d’ en de dominant a’, dus het zogeheten hexachord naturale (de zestoonsladder c’-a’; do-la). Maar in regel 1 en 3 klinkt eenmaal een bes’. Deze halve noot boven de a’, de zogenoemde de ‘fa super la’ (zie artikel Modi), zorgt mede voor het klagende roepkarakter:
We horen dat de eerste twee regels, die herhaald worden in regel 3 en 4, eigenlijk bestaan uit een dalende lijn van la (a’) naar re (d’).
Sterk contrasterend met de voorgaande regel is regel 5 die een stijgende beweging van re naar la laat horen. In de voorlaatste regel bereikt de melodie haar hoogtepunt: ze komt even in een hogere ligging, het hexachord molle (f’-d”), waarbij de drievoudige herhaling waarmee de regels 1 en 3 beginnen, nu een terts hoger ligt. Op de vierde noot van regel 7 is de melodie eigenlijk alweer terug in het naturale hexachord. Heel effectief is dat in deze regel kort na het hoogtepunt een kort melisme van twee achtste noten volgt, waardoor op dat moment ook in de ritmiek de smekende bede hoorbaar wordt. De slotregel is gelijk aan regel 2/4.

Auteur: Jan Smelik