Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

580 - Dag zo bitter en zo goed


Inge Lievaart
Nelly Poortier

Tekst

Bitter én goed?

Herhaling kan versterkend werken. 'Dag zo bitter en zo goed' – met deze woorden beginnen de vier strofen. Het lijkt een rijmschema dat het eindrijm te boven gaat – zeker omdat het na vier keer een echo krijgt in een nieuwe zin: 'zie het was zeer goed.' Zo roept dit lied in de taal een betekenis op die de inhoud van de gezegde tekst te boven gaat. Er is groei, er is ontwikkeling, er is betekenis in die bitterheid van de dag die de kerk zo vreemd 'Goede Vrijdag' noemt.

Het is geen 'schoon lied'. Op 'goed' rijmt 'boet' (1.4) en 'bloed' (3.4). De lichamelijkheid, met '(hand)schrift' (1.2), de schuld van onze handen (2.2), de nagels (3.2), behelst geen zwevende filosofie, maar gaat over harde werkelijkheid, lijden en pijn. Met name strofe 3.3 prikkelt. 'Hij waste onze voeten met zijn bloed' – geen vanzelfsprekende taal in een westerse schone samenleving vol idealen. De bitterheid draagt de wreedheid in zich. Lievaart houdt zich aan het (bijvoorbeeld in de Heidelberger Catechismus beleden) geloof in het verzoenend bloed van Christus. Ze schuwt daarbij ook grote taal niet. Tegelijk legt ze zo de lijn naar zowel de voetwassing op Witte Donderdag als de wereldwijd verbreide iconografie van kruisbeelden die meestal niet zonder het rode van het bloed kunnen.

Opmerkelijk, ook voor Lievaart zelf, zo schreef ze later, is dat in elke strofe halverwege de derde regel een omslag plaatsvond. Daar gaat het beeld van ‘bitter’ naar ‘goed’, verandert het perspectief, gaat de toekomst open. Met haar eigen woorden: ‘Dit is intuïtief zo gedaan, maar achteraf te verklaren als de uitdrukking van het verrassende van het heilswonder: dat wat door mensen ten kwade was gedacht door God ten goede bleek gedacht om ons met zichzelf te verzoenen (Kolossenzen 1,20) en het bewijsstuk dat tegen ons getuigde uit te wissen (Kolossenzen 2,14)’ (Compendium, k. 490). Uiteindelijk sluit ze, in de laatste strofe, de tekst af bij Genesis 1: ‘Zie het was zeer goed’. De paradox van de van God verlatene die aan God vasthoudt, lost hier op in een visioen van herschepping. Zo schemert Pasen door dit Goede Vrijdaglied heen.

Liturgisch gebruik

Dit lied is echt voor de viering op Goede Vrijdag gedacht. Wellicht kan het ook nog eens klinken in een leerdienst rond de dood van Christus.

Auteur: Roel Bosch


Melodie

In het voorjaar 1965 stuurde Inge Lievaart haar gedicht ‘Goede Vrijdag’ (‘Dag zo bitter en zo goed’) naar Nelly Poortier met de vraag er een melodie bij te maken. De melodie werd tezamen met een harmonisatie van Poortier voor het eerst gepubliceerd in het weekblad Jong Gereformeerd (jrg 8 nr. 354), het tijdschrift van de Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen.

De wijs ontstond in een decennium waarin volop enthousiasme was voor modale melodieën, dus voor melodieën die niet in een mineur- of majeurtoonsoort geschreven waren, maar op een van de modi die tot in de zestiende eeuw gebruikt werden. In tegenstelling tot latere tijden waren deze melodieën puur eenstemmig gedacht, dat wil zeggen: ze waren niet afhankelijk van harmonieën.

Ook Nelly Poortiers melodie is gecomponeerd in een middeleeuwse modus (hier de dorische modus, in c met voortekening van twee mollen) en niet in de mineur-toonsoort c moll (drie mollen). In haar toelichting in het Compendium (1978) meldt ze nadrukkelijk dat ’het lied zuiver melodisch is ontstaan en niet uit harmonische samenklanken is bedacht.’

Typerend voor melodieën uit de decennia na de Tweede Wereldoorlog is eveneens dat er nauwkeurig gelet werd op een goede woord-toonverhouding. Dit reikte verder dan het vermijden dat tekst- en melodieaccenten met elkaar conflicteerden; de melodie en haar ritmische structuur moesten ook belangrijke woorden en begrippen uit de tekst ondersteunen. Daarbij en daarom werd afgezien van het gebruik van moderne maatsoorten, die een vast patroon van beklemtoonde en onbeklemtoonde noten inhouden. Ook de wijs ‘Dag zo bitter en zo goed’ is niet in een maatsoort geschreven.

In de melodie worden de essentiële woorden er als het ware uitgelicht door het gebruik van halve noten, bijvoorbeeld in de eerste strofe de woorden ‘bitter’, ‘goed’, ‘schrift’, ‘vernietigd’, geschonden en mens-zijn. Ook melodisch worden woorden beaccentueerd, zoals dat heel duidelijk te horen is in regel 2 waar de woorden ‘schrift’ (strofe 1), ‘schuld’ (strofe 2) en ‘Heer’ (strofen 3, 4) klinken op het moment dat de melodie haar hoogtepunt bereikt.

Bij opname in het Liedboek voor de kerken (1973) is het slot van de tweede regel iets gewijzigd. Nelly Poortier had op de voorlaatste lettergreep een melisme van twee noten en de melodieregel eindigde op de roeptoon g:

Dit melisme, zo schrijft Poortier in het Compendium (1978), gaf het woord ‘zonden’ een ‘lamentoso’-karakter. Omdat de regel in de oorspronkelijke versie eindigde met een kwartnoot, waren de tweede en derde regel onmiskenbaar aan elkaar verbonden, zoals dat ook het geval is met de melodieregels 3 en 4. Hoewel met tegenzin stemde de componiste toe in het voorstel van de redactie van het Liedboek voor de kerken om het slot van regel 2 te wijzigen in twee halve noten:

Door de twee halve noten aan het einde van regel 2 is de eenheid met regel 3 iets minder duidelijk.

Poortier schrijft in het Compendium (1978, k. 492) dat de melodie andante gezongen moet worden.

Auteur: Jan Smelik