Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

582 - Door wat voor grote eenzaamheden


Jan Willem Schulte Nordholt
Eric Jan Joosse

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 4’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Mattheüs 26,36-46 verhaalt van de gebeurtenissen in Getsemane, de hof waar Jezus verbleef in de nacht, waarin Hij verraden werd. Het is het evangeliegedeelte, dat aan de orde komt in de Stille Week. Jezus ging naar Gethsemane om daar te bidden (Matteüs 26,36) en het lied spreekt in dit verband van ‘grote eenzaamheden’ (strofe 1). Weliswaar heeft de Mensenzoon gezelschap van Petrus, Jakobus en Johannes als ‘laatste drie die Hem behoorden’ (strofe 2), maar ‘die sliepen in Getsemane’. Het evangelie vertelt dat Jezus zijn vrienden tot drie keer toe slapende vond. ‘Daarna voegde hij zich weer bij de leerlingen en zei: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? En dat terwijl het ogenblik nabij is waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan zondaars’ (Matteüs 26,45)

De volslagen eenzaamheid van Jezus staat centraal in dit lied. Maar de dichter gaat verder en dieper. Niet slechts het in gebreke blijven van de drie overgebleven vrienden vermeldt hij, hij werkt de lezers en zangers op het gemoed en wijst op de existentiële schuld, die zijzelf eveneens hebben ten aanzien van het lijden van Christus. Niet voor niets staat er in de strofen 1, 2, 4 en 5 telkens ‘wij’: wij hebben zijn stem niet verstaan, wij gaan niet met Hem mee, wij kunnen zijn lijden en duisternissen niet peilen. Een twimntigste eeuwse pendant van Revius’ bekentenis in enkelvoud: ‘Ik ben ’t, o Heer, ik ben ’t die U dit heb gedaan...’ We kunnen ‘bij Hem verwijlen / met onze woorden en ons lied’ (strofe 4) en ‘vrome wensen / en met gebeden om Hem heen’ (strofe 5) staan dringen en dwingen, maar ‘niemand, niemand komt Hem nader’ (strofe 3) en ‘de verlossing van de mensen / die lijdt Hij heel alleen’ (strofe 5).


Melodie

Met een sobere melodische omvang laat Eric Jan Joosse zijn melodie beginnen, het karakter van de tekst weerspiegelend. Regel 1 speelt zich af in het toongebied van d’ tot g’, een kwart; zo ook regel 2, maar hoger, tussen f’ en bes’. Op de zover hoogste toon klinkt de geaccentueerde noot van een syncope (‘is Hij aan ons voorbij gegaan’). Het echte melodische hoogtepunt ligt in regel 3, waar de melodie ook op z’n heftigst is: het tot nu toe sterk diatonische verloop wordt in regel 3 en 4 meer door sprongetjes afgewisseld. Naast het melodisch hoogtepunt heeft regel 3 ook de grootste ambitus (f’-d” , een sext). De eerste drie regels bezitten een tamelijk flink aantal lettergrepen (9-8-9); regel 4 contrasteert hier met zes lettergrepen sterk mee en trekt zo opvallend de aandacht naar de concluderende laatste tekstregels:
... maar niet zijn stem verstaan (strofe 1)
... maar gaan niet met hem mee (strofe 2)
... die lijdt Hij heel alleen (strofe 5).

Muzikaal krijgen deze slotregels gestalte door de terugkeer van de syncope uit de (rijmende) tweede regel – nu niet meer ergens in het midden van de regel, maar onmiddellijk aan het begin. Het ritme is verder eenvoudig; de regels 1 en 3 beginnen met één en besluiten met twee halve noten, de regelparen worden met een hele noot afgesloten. Naast de al genoemde syncope zijn er alleen nog kwartnoten. Opmerkelijk is het ontbreken van rust of komma tussen respectievelijk regel 1 en 2 en tussen 3 en 4: het is blijkbaar Joosses bedoeling dat de spanningsboog in de tekst niet onderbroken wordt.

Even simpel is de harmonie in de noot-tegen-noot koorzetting (zie kooruitgave bij het Liedboek), bijna demonstratief-simpel: ook op herhaalde melodienoten worden dissonerende akkoorden niet consonant gemaakt, maar worden herhaald. Zie de twee laatste akkoorden van regel 3 (het halfverminderd septiemakkoord e-bes-d’-g’).


Media

Uitvoerenden: Kathedraalkoor Brugge o.l.v. Ignace Thevelein; Jos Bielen, orgel (strofen 1, 2, 3, 5)