Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

587 - Licht voor de wereld, geeft U zich gevangen


Staties bij het lijdensevangelie volgens Johannes

Ria Borkent
Johann Crüger
Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen

Tekst

Ontstaan en verspreiding

In het Liedboek voor de kerken staan in de rubriek ‘Tijd voor Pasen’ maar liefst drie liederen met de bekende melodie van Johann Crüger ‘Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen’: ‘Leer mij, o Heer, uw lijden recht betrachten’ (gezang 177), ‘Gethsémane, die nacht moest eenmaal komen’ (gezang 180) en ‘Noem de overtreding mij, die Gij begaan hebt’ (gezang 181).
De redactie van het Liedboek wilde deze typische passie-melodie graag laten terugkomen, maar vond de bestaande gezangen niet geschikt. De taal werd als archaïsch en gedateerd ervaren en ook de tekstinhoud werd deels als theologisch eenzijdig beoordeeld. Daarom heeft de redactie Ria Borkent gevraagd om op de bestaande melodie een nieuwe tekst te schrijven. Dit moest een lied worden bij zeven verschillende staties uit het lijdensevangelie van Johannes, om te zingen bij de lezingen op Goede Vrijdag.

Thematiek

De titel van het lied ‘Licht voor de wereld’ verwijst naar een van de Ik-ben-woorden van Jezus in het Johannesevangelie: ‘Ik ben het licht voor de wereld’ (8,12). Naar dit Ik-ben-woord lijkt Jezus in Johannes 18,5 te verwijzen: ‘Ik ben het’.
In het lied komen meer typisch johanneïsche woorden en thema’s terug, zoals ‘uit de hemel’, ‘waarheid’, ‘zien’, ‘geloven’.
De tekst is een meditatieve verwerking van de schriftgedeelten uit Johannes 18 en 19. De ik-vorm geeft de enkeling, of de gemeente, de vorm om te reageren en te reflecteren op de verschillende perikopen. Hierbij wordt Jezus in gebedsvorm aangesproken (strofe 1, 2, 3, 5 en 6).

Inhoud

Strofe 1, bij Johannes 18,1-11

Het beeld van het ‘licht voor de wereld’ vormt een tegenstelling met de ‘nacht van duistere belangen’. Jezus, het licht voor de wereld, gaat nu ten onder in het donker van deze laatste uren. De herhaalde vraag van Jezus, ‘Wie zoeken jullie?’ (18,4), krijgt een antwoord in de derde regel: ‘Ik zoek U, Heer’. Een spannend antwoord, want in het evangelie gaat het juist over het zoeken om Jezus gevangen te nemen.
‘Maak mijn oren heel’ verwijst naar Malchus, de slaaf van de hogepriester, wiens oor door Petrus wordt afgeslagen (18,10) . Overigens lezen we alleen in Lucas 22,51 dat Jezus dat oor weer geneest.

Strofe 2, bij Johannes 18,12-27

In strofe 2 worden Kajafas’ woorden aangehaald: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk’ (18,14; 11,49-53). Het ‘warmen’ aan de ‘liefde die niet loochent’, verwijst naar Petrus die zich bij het vuur staat te warmen (18,18) en daar tot drie keer toe ontkent dat hij ook een leerling van Jezus was.

Strofe 3, bij Johannes 18,28-40

In de derde strofe wordt Jezus aangesproken als de hemelse koning, zijn koningschap is niet van deze wereld (18,36). Pilatus’ vraag naar de waarheid (18,38) komt hier terug: ‘de waarheid is geschonden’. De tekst van deze strofe doet enigszins denken aan gezang 177: 3 uit het Liedboek voor de kerken, waar gesproken wordt over ‘de vloek der zonden’.

Strofe 4, bij Johannes 19,1-16a

Vervolgens herinnert de eerste regel van de vierde strofe (‘Hier is God zelf’) aan gezang 177: 2 ‘’k Zie U, God zelf, in eeuwigheid geprezen’. Hier zie je de mens, ecce homo, in de woorden van Pilatus (Johannes 19,5). Deze mens is uit de hemel geboren. Hier komt het johanneïsche thema naar voren van het ‘opnieuw geboren worden’ (3,7), waarbij ‘opnieuw’ ook kan betekenen ‘van bovenaf’. Dat Jezus van boven, uit de hemel komt, komt vaak bij Johannes terug (3,13; 5,37; 6,33; enzovoort). Duidelijk wordt hier dat het oordeel aan Jezus niet buiten mij om gaat, maar ‘ik’ ben de gesel (19,1) die Hem openhaalt.
Deze vierde strofe, de middelste van het lied, is als enige niet gericht tot Jezus: hier wordt Hij niet aangesproken met ‘U’. Richt bij deze middelste statie de sprekende ik-figuur zich nu tot zichzelf, of tot ons als toehoorders? Wij kunnen niet meer wegkijken maar worden in dit gebed en in deze schuld betrokken.

Strofe 5, bij Johannes 19,16b-30

In de vijfde strofe zijn er verwijzingen naar de twee kruiswoorden: ‘Dat is uw zoon – dat is je moeder’ (19,26-27) en ‘Ik heb dorst’ (19,28). ‘Water dat wijn wordt’ herinnert dan weer aan de bruiloft in Kana (2,1-11). Bij die bruiloft ontstaat er een zekere verwijdering tussen Jezus en zijn moeder, als Jezus Maria verwijtend vraagt: ‘Wat wilt u van me?’ (2,3) Die verwijdering wordt hier overbrugd door de zorg en liefde van Jezus voor zijn moeder.

Strofe 6, bij Johannes 19,31-37

In de zesde strofe wordt verwezen naar Johannes’ citaat uit Psalm 34,21: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden’ (19,33.36), hier in de variatie: ‘geen woord is er gebroken’. Alles komt uit, zoals beloofd en voorspeld was. De gemeente knielt hier samen met Johannes, de ooggetuige, die de waarheid zelf heeft gezien (19,35), in eerbied voor de gekruisigde.

Strofe 7, bij Johannes 19,38-42

De zevende strofe eindigt met eerbied en dankbaarheid voor de Heer. Het eindigt dus bij het graf, maar het licht van Pasen schijnt er al door, want Jezus is het die ‘dood en duister keerde’. Het contrast tussen licht en donker uit de eerste strofe komt hier terug. In de eerste strofe was het licht gevangen in het duister, in de laatste strofe worden dood en duister gekeerd door het Licht voor de wereld. Met de laatste strofe wordt het lied een uitnodiging tot overgave, schuldbelijdenis en lofprijzing.

Vorm

Kenmerkend voor het lied is de inclusie van de titelwoorden ‘Licht voor de wereld’. Deze beginwoorden van de eerste strofe zijn ook de slotwoorden van de laatste strofe.
Het eindrijm van de strofen is eenvoudig: a-a-b-b. Hier en daar is er opvallende alliteratie (bijvoorbeeld strofe 1 regel 4: ‘heel om te horen’; 2.3: ‘liefde’-‘loochent’, ‘open mijn ogen’; 5.2: ‘zie ik uw zorg’; 5.4: ‘water dat wijn wordt’).

Liturgische bruikbaarheid

Het lied is bedoeld om afwisselend gezongen te worden, als staties, bij een volledige lezing van het passieverhaal uit Johannes. Dit kan op Goede Vrijdag of in een andere passieviering. De werkwijze om in iedere strofe een hele perikoop te laten doorklinken, geeft aan sommige strofes een tamelijk vol, beeldrijk karakter (bijvoorbeeld regels als ‘warm ik mij aan uw liefde die niet loochent’ (strofe 2, regel 3), of: ‘liefde is dorst naar vrede zonder einde’ (strofe 5, regel 3)). Er zijn weinig ‘lichte’ regels, maar er wordt in iedere regel veel inhoudelijks gezegd, dat tot nadenken stemt. Het is daarmee ook geen lied, waarbij je de strofes vlot achter elkaar door kunt zingen.

Auteur: Kees Baggerman


Melodie

Deze toelichting bij de melodie is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Dit lied wordt gedragen door de prachtige melodie van Johann Crüger uit 1640: Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen, een tekst die oorspronkelijk van aartsbisschop Anselmus van Canterbury (1053-1109) stamt. De melodie – ons welbekend als eerste vierstemmig koraal in Bachs Matthäus-Passion – is niet geheel van Crügers hand; Johann Hermann Schein (1586-1630), als Thomascantor te Leipzig gestorven, maakte de eerste melodie, die door Crüger later werd omgewerkt. De verwantschap met de melodie van Psalm 23 uit het Geneefse Psalter, die bij Schein reeds aanwijsbaar was, komt in de bewerking van Crüger nog sterker naar voren.

Auteur: Bernhard Steinvoort


Media

Video: Liedboek 587 door Els Beelen, zang, en Vincent van Laar, orgel (Dorpskerk Eelde)