Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

590 - Nu valt de nacht


Ad den Besten Jan Wit
Mainz 1628
O Traurigkeit, o Herzeleid

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Ad den Besten en Jan Wit, twee dichters die mede het Liedboek voor de kerken (1973) hebben samengesteld en er teksten voor hebben geschreven, hebben deze tekst gemaakt op een oude melodie, die naar overtuiging van velen niet in dat liedboek mocht ontbreken. Het werd daarin opgenomen als gezang 195. Daarvoor had het lied al een plaats gekregen in het Gezangboek van de Evangelische Broedergemeente in Nederland (1968, nr. 170). Na 1973 verscheen het lied met de melodie O Traurigkeit, o Herzeleid in Zingt Jubilate (1974, nr. 370) en het Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 635).

Tekst

Een korte, gedrongen tekst van vijf coupletten van ieder vijf regels met als rijmschema A- A-b-A-b.

Strofe 1

De tekst zet stevig in: ‘Nu’. Het gaat niet over ooit, lang geleden. Nee, wanneer we Goede Vrijdag en met name Stille Zaterdag vieren, vieren we een gebeurtenis die hier en nu, in ons midden plaatsvindt. Dat is liturgie: wat ooit gebeurde zo present stellen dat het ons leven toekomst geeft. Het evangelie beschrijft het sterven van Jezus als een gebeurtenis waarbij ook het licht (van de eerste schepping) sterft. De nacht valt, met al zijn connotaties met duisternis en misdaad die het daglicht niet kan verdragen. De laatste woorden van Jezus zijn: ‘Het is volbracht’ (Johannes 19,30). De wijze waarop ze híer staan, is dus niet alleen een constatering van een buitenstaander, maar het beamen van de laatste woorden van de gekruisigde. ‘In Gods hand gegeven’ is een intrigerende woordcombinatie. Is dit ook een zinspeling op het dagelijkse joodse avondgebed? (vergelijk Psalm 31,6 en Lucas 23,46). Het leven wordt in de nacht in bewaring gegeven om het in de nieuwe morgen weer te ontvangen. Dit dagelijkse ritueel krijgt in het licht van Stille Zaterdag een nog diepere betekenis. In de woorden ‘in Gods hand gegeven’ klinkt ook mee: uit Gods hand ontvangen. Als dat zo is, suggereren deze woorden dat de Heer het ontvangen leven teruggeeft aan God ten behoeve van de mensen.

Strofe 2

Gods hand die het leven geeft, staat tegenover de wereld die slechts het graf betekent. Zo ook biedt de wereld Hem geen woning (Lucas 9,58), wordt het feit dat Hij zonder schuld is, reden voor de straf en wordt zijn hele leven in deze wereld één sterven. Deze laatste woorden kun je verschillend verstaan: het prachtige leven van Jezus werd vermoord. Je kunt ook horen – in combinatie met het eerste couplet – dat Jezus in zijn bestaan laat zien dat je je leven uiteindelijk uit handen moet geven om het te verwerven. 

Strofe 3

In het derde couplet wordt de gestorven Jezus aangesproken. In de beleving van veel gelovigen is de Stille Zaterdag een dag waarin niets gebeurt. Je kunt die dag ook beschouwen als de sabbat, de rustdag, waarin – parallel aan de zevende scheppingsdag – God zijn scheppingswerk voltooit. (Genesis 2,3). Zo wordt de tussentijd, de Stille Zaterdag, tot het hoogtepunt van het verlossingswerk. Het gestorven zijn wordt overigens verzacht tot slaap en de rotsen van het graf zijn een gevangenis waarin de Heiland – onze rots – ligt. Het zijn twee verwijzingen naar het leven dat doorgaat, immers na de slaap staat men weer op, zolang men gevangen is, leeft men ook nog, al neemt men niet meer deel aan het leven.

Strofe 4

Opnieuw spreken wij, zingende gelovigen, de Heer aan. We erkennen dat met het sterven van Jezus de grootheid van God is bewezen en sluiten ons aan bij de dood van Jezus: wij worden in uw dood begraven. In de brieven van Paulus wordt de doop beschreven als ondergedompeld worden in de dood van Jezus. Je legt het aardse leven af en krijgt het nieuwe leven terug. Met andere woorden: je legt de oude mens af en wordt bekleed met de nieuwe mens (Romeinen 6,3-4; Kolossenzen 2,11-12).

Strofe 5

In de sabbatsrust neemt Jezus het juk van de aardse dood van ons mensen af – wat een wonder! Het woord ‘juk’ roept verschillende betekenissen op. Om te beginnen kun je denken aan het sabbatsjuk, de vrolijke verplichting de rustdag te houden. Je kunt ook denken aan de woorden van Jezus: ‘mijn juk is zacht en mijn last is licht’ (Matteüs 11,28). Paulus spreekt over het juk van de wet die onze zonde aan het licht brengt (Galaten 5,1). Zoals gezegd: een wonderlijk lied, waarin de verlossing plaats lijkt te vinden op de Stille Zaterdag. Jezus rust in het werk dat hij heeft volbracht (vergelijk Genesis 2,2). Ad den Besten verwijst naar een oude gereformeerde notie: rusten in het volbrachte werk van Christus. Toch staat deze tekst in een goede bijbelse traditie. Ook in de evangelies vindt het wonder van de opstanding plaats tussen de graflegging op de vrijdag (vergelijk Matteüs 27,57-60; Marcus 15,42-46; Lucas 23,50-54) en het einde van de sabbat op de vroege morgen van de eerste dag (vergelijk Matteüs 28,1; Marcus 16,1; Lucas 23,56 en 24,1). Alleen het lege graf getuigt van de opstanding. Het wonder zelf ontgaat ons.

Liturgisch gebruik

Dit lied is een van de weinige liederen die uitdrukkelijk voor Stille Zaterdag is bedoeld. Het kan ook op het einde van de Goede Vrijdagviering gezongen worden. De kruisweg of de kruismeditatie kan dan afgesloten worden met dit lied en een wat langere stilte. Daarmee grijp je vooruit op de Stille Zaterdag. Het einde van de dienst is vloeiend waardoor duidelijk wordt dat de vieringen van het Triduüm en de paasnacht eigenlijk één doorlopende liturgie vormen.

Auteur: Andries Govaart


Melodie

In de loop der tijd duiken diverse melodievarianten op. De lezing uit het Liedboek gaat terug op de oudst bekende vorm, zij het dat – vreemd genoeg – een ‘opvulmelisme’ in de laatste regel is toegevoegd. De melodieversie uit 1641 is, vooral aan het slot, duidelijk ‘barokker’ van aard.

Toonsoort

Met de toonsoort van deze melodie is iets vreemds aan de hand. Gezien de overduidelijk harmonisch gedachtegang van de melodie, zou men verwachten dat de wijs ‘gewoon’ in e-klein geschreven was. In een aantal bronnen is dit lied echter in de dorische kerktoonsoort te vinden. Niet in de oudste – rooms-katholieke bron (Mainz 1628), maar wel in de nieuwere, protestantse versie (Lüneburg 1641). Zie de voorbeelden hieronder. In het Liedboek (2013) – en de meeste andere nieuwere liedbundels – is gekozen voor de mineur-variant, terwijl in het Liedboek voor de kerken (1973) de dorische notatie (met twee kruizen) te vinden is.

 

Himmlische Harmony Von vielerley lieblich zusammenstimmenden Frewd-Leid-Trost- und Klagvoeglein. Das ist New Mayntzisch Gesangbuch Darinn die außerlesenste theils alte theils newe Catholische Kirchengesaeng. Mainz 1628.

Johann Rist, Johann Schop: Himmlische Lieder. Mit sehr anmuthigen / mehreren theils von Herrn Johann: Schopen gesetzten Melodeyen. Das Erste Zehen. Lüneburg 1641.

Tempo en metrum

Het lied wordt meestal te traag gezongen. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met het droevige karakter van de melodie. De halve noot is echter de – rustige – teleenheid. Terecht heeft men er in het Liedboek voor gekozen mensuurstrepen en geen maatstrepen aan te brengen bij de melodie. Er is immers geen sprake van een consequent doorgevoerde 2/2-maatsoort, iets dat de notatie in Gotteslob (1975) wél suggereert (zie voorbeeld). In de nieuwe editie van Gotteslob (2013) is het lied zonder maatstrepen opgenomen. Willem Vogel merkt in het Compendium bij de gezangen uit het Liedboek voor de kerken op: ‘het lied dient gezongen te worden met sentiment, maar niet sentimenteel!’ (k. 493)

 

Gotteslob. Katholisches Gebet- und Gesangbuch. Ausgabe für das Erzbistum Freiburg mit dem gemeinsamen Eigenteil für die Diözesen Freiburg und Rottenburg. Hrsg. von den Bischöfen Deutschlands und Österreichs und der Bistümer Bozen-Brixen und Lüttich. Stuttgart und Freiburg 1975.

Andere contrafacten (Nederlandse tekst)

In het Liedboek voor de kerken was dezelfde melodie te vinden bij het avondmaalslied ‘Gij zijt mijn goed’, gezang 366 (Het lied op onze lippen, 46; Laus Deo 980). Daarmee heeft het lied in het Nederlands taalgebied een avondmaalsassociatie gekregen. André Troost borduurt daarop voort als hij de melodie gebruikt bij zijn lied ‘Neemt en gedenkt’ (Zingende gezegend 12). Verder gebruikte Sytze de Vries de melodie voor zijn tekst ‘Zo dor en doods’ (Liedboek 610). Ria Borkent vertaalde de originele tekst bij deze melodie voor de bundel Een vleugje eeuwigheid (Baarn 1998, nr. 20). Het gaat in die bundel vooral om het in het Nederlands toegankelijk maken van de koraalzettingen van Johann Sebastian Bach.

Meerstemmige zettingen

In de koorbundel is voornoemde Bachzetting (BWV 404) door ondergetekende bewerkt naar de in het Liedboek voorkomende toonsoort en melodielezing. De begeleidingszetting is overgenomen uit de koor- en orgeluitgave (groene boek) bij het Liedboek voor de kerken, een goede en bruikbare uitwerking van de becijferde bas uit 1641.

Bekend en fraai zijn Koraalvoorspel en Fuga van Johannes Brahms voor orgel over de melodie van O Traurigkeit. Carl Heinrich Graun verwerkte de koraalmelodie in zijn passie-oratorium Der Tod Jesu en Franz Liszt in zijn Via Crucis.

Auteur: Christiaan Winter