Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

603 - De vloed van vóór de tijd


Lied van de vloed

Huub Oosterhuis
Willem Vogel

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Dit Lied van de vloed, zoals de titel luidt, is een minder bekend en minder wijd verspreid lied van Huub Oosterhuis. Er zijn slechts enkele zangbundels waarin het lied is opgenomen. Naast de ‘eigen’ Amsterdamse bundel Liturgische Gezangen II (1986) nr. 50 zijn dat de Petrus en Paulus bundel (1987) nr. 194, Zolang er mensen zijn (1993) nr. 81, Verzameld liedboek (2004) blz. 288, Stilte zingen (2018) blz. 185 en Liederen van het begin, een uitgave van de NCRV uit 1983 met liederen bij het boek Genesis (nr. 21).

Opbouw

Het lied bestaat uit vijf strofen van elk vier regels. De regels hebben zes lettergrepen, met uitzondering van de tweede regel van iedere strofe die één lettergreep meer telt. Door het consequent gebruik van de jambische versvoet, waarbij een onbeklemtoonde en een beklemtoonde lettergreep elkaar opvolgen, krijgt het lied een rustige en regelmatige cadans. Alleen het ritme van strofe 2 wijkt hier enigszins van af. In tegenstelling tot de meeste liturgische liederen van Huub Oosterhuis kent dit lied geen rijmschema. Wat dat betreft heeft het lied een vrije vorm.

Inhoud

Zoals onder het lied staat aangegeven is het gebaseerd op het verhaal van Noach en de zondvloed uit Genesis 6,5-9,17. Diverse fragmenten verwijzen naar passages of beelden uit dat verhaal. Dit geldt uiteraard voor het woord ‘vloed’ dat verwijst naar de alles overspoelende zondvloed. En het ‘wrakhout op de golven’ en ‘de ark van mijn behoud’ in strofe 2 refereren aan de ark die Noach bouwde. De ‘boog in de wolken’ uit strofe 4 roept de regenboog in herinnering waar het verhaal mee afsluit. Het is het teken van het verbond dat God na de zondvloed sloot met alle levende wezens op aarde.

Deze verwijzingen naar het verhaal van de zondvloed worden afgewisseld door beschrijvingen die refereren aan het verhaal van de schepping. Dat gebeurt in de strofen 1 en 3. Hoewel het woord ‘vloed’ uit de eerste regel binnen de setting van dit lied wellicht de zondvloed oproept, verwijst de volledige eerste regel ‘De vloed van vóór de tijd’ niet naar de zondvloed, maar naar de periode die aan de schepping voorafging: de chaos die er bestond voorafgaand aan onze geschiedenis toen er nog geen besef was van tijd en er nog geen onderscheid was tussen dag en nacht, licht en donker. Er kwam pas orde in de chaos nadat God gesproken had (God sprak ‘er zij licht’ en er was licht). Daarvóór was de tijd van de dood en van een nog niet weten van God. Deze parafrasering van strofe 1 laat zien dat de vier regels van deze strofe eigenlijk vier herhalingen zijn in parallelle constructies. Er wordt viermaal een omschrijving of een aanduiding gegeven van de situatie voorafgaand aan de schepping toen alles nog één grote watervloed was, God nog niet gesproken had en er alleen duisternis en dood was. Ook strofe 3 verwijst naar die chaos van het oerbegin. God bestond weliswaar al in die situatie, maar wij hadden daar nog geen weet van; wij bestonden immers nog niet. Maar toen al heeft God onze koers uitgezet. Al voor onze geboorte zijn we door hem gekend.

In de laatste regel van strofe 3 lijken de twee verhalen van de schepping en van de ark van Noach samen te komen. God haalt ons ‘door deze diepten heen’. Dat wil zeggen dat Hij ons uit de chaos tot leven wekt en dat Hij ons opricht uit de verwoestende zondvloed. Hij reikt ons daarbij de hand in de vorm van de regenboog (strofe 4). En voor wie uit de zondvloed gered is, zal de eeuwige stad die hecht gefundeerd is (vergelijk Hebreeën 11,10) en waar de dood niet meer bestaat (vergelijk Openbaring 21,4), het wenkend perspectief zijn (strofe 5).

De verwijzingen in het lied naar de Bijbelse verhalen over de vloed van vóór de tijd en over de zondvloed kunnen gelezen worden als hoopvolle verbeeldingen van schepping en herschepping, van geboorte en wedergeboorte, van leven door de dood heen.

Auteur: Louis van Tongeren


Melodie

Bij de liedtekst ‘De vloed van vóór de tijd’ zijn twee melodieën bekend. Op het protestantse erf wordt de in het Liedboek opgenomen wijs van Willem Vogel gebruikt, terwijl de in de traditie van de Amsterdamse Studentenekklesia bij deze tekst een melodie van Rinus den Arend gezongen wordt (zie onder andere Verzameld Liedboek, 2004, blz. 288). Het heeft er alle schijn van dat de melodie van Willem Vogel de oudste rechten heeft. Deze verscheen voor het eerst in 1982 – tevens het jaar van compositie – in de door omroepvereniging NCRV uitgegeven bundel Liederen van het begin, terwijl de melodie van Den Arend drie jaar later in het tweede deel van Liturgische Gezangen (Gooi & Sticht; nr. 50) is afgedrukt. In een andere dan de hierboven genoemde bron komt het lied van Vogel overigens niet voor.

Willem Vogel had zijn melodie aanvankelijk geschreven voor Willem Barnards tekst ‘Samen op de aarde’ (Liedboek 993), dat evenals het hier beschreven lied óók opgenomen werd in Liederen van het begin (1983). De dichter bleek zijn lied gehoord te hebben op een Engelse melodie van Kenneth George Finlay en daarvoor week de nieuw gecomponeerde wijs. Dat was overigens tien jaar vóór die tijd met hetzelfde lied ook al eens gebeurd, toen Wim Kloppenburg – ook onwetend van de voorkeur van de dichter – een dubbelmelodie bij ‘Samen op de aarde’ had geschreven (Aan de hand van Moses 2, Van der Leeuwstichting 1974, blz. 194). Hoe het ook zij, Willem Vogel bewerkte onderstaande melodie voor ‘Samen op de aarde’ tot de wijs die nu bij Liedboek 603 staat.
De melodie op dit tekstueel niet rijmende lied, met het weinig voorkomend metrisch schema 6-7-6-6, is compact van opbouw. Vogel heeft – als gebruikelijk – maar weinig muzikale ingrediënten nodig. Zo heeft de componist aan slechts drie intervallen genoeg: secunden, tertsen en kwinten. De secunden worden slechts stijgend gebruikt en de tertsen alleen dalend. De drie kwinten vormen de steunpunten. Ze zijn te vinden als openings- en slotwending en halverwege de melodie. Tussen de tweede en de derde regel vinden we ook de enige repeterende noten; het rustpunt haverwege.

Hoewel – als gezegd – de tekst niet rijmt, is er melodisch wel degelijk rijm te vinden. Niet alleen vertonen de slotwendingen van de regelparen 1-3 en 2-4 grote overeenkomsten, deze regelparen zijn ook ritmisch gelijk. Door de ritmische verschuiving in de regels 2 en 4 ontstaan daar driedelingen (twee maal een halve en een kwartnoot achter elkaar) die de melodie als geheel minder hoekig maken, terwijl ondertussen de rustige gang toch niet onderbroken wordt.

Vogel heeft gekozen voor de modale variant van g-mineur, g-aeolisch. Niet de harmonische progressie bepaalt in de kerktoonsoorten het verloop van de melodie, maar de spanning tussen de verschillende melodienoten. Vooral in de tweede en de derde regel maakt Vogel smaakvol gebruik van de stapsgewijs opgevulde tritonus es’-a’ en de spanning die deze wending oproept. Zo krijgt de modale melodie toch een onmiskenbaar twintigste-eeuwse klank (vergelijk voor een vergelijkbare situatie de openingsregel van Liedboek voor de kerken gezang 394 ‘Gij hebt het daglicht weggenomen’).

De meerstemmige zettingen – zowel de koor- als de begeleidingszetting – zijn van ondergetekende. Vogel heeft voor de begeleidingsbundel bij Liederen van het begin wel een zetting geleverd, maar deze is dermate ‘dun’ van klank, dat de muziekredactie heeft besloten een nieuwe te maken, een bewerking die de vrij onbekende melodie meer ondersteunt. Ik stel een rustig tempo met ongeveer 56 halve noten per minuut voor.

Auteur: Christiaan Winter

NB.: In de begeleidingszetting dient men op de helft in de tenorpartij een fis te spelen (en geen f). Dit om een kwintparallel tussen tenor en alt te voorkomen.  Dit is vanaf de vijfde druk van de begeleidingsuitgave gecorrigeerd.