Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

609 - Toen ik daar zat, verweesd en zonder lied


Lied van Ezechiël

Huub Oosterhuis
Wim Dalm
Nu heeft het oude leven afgedaan

Tekst

Verspreiding en varianten

Dit ‘Lied van Ezechiël’ of ‘Lied van Ezekiël’ zoals in diverse uitgaven de titel of ondertitel van het lied ‘Toen ik daar zat’ luidt, behoort tot de minder gekende en minder gezongen liederen van Huub Oosterhuis. Nadat het lied voor het eerst verscheen in de aanvulling bij de Amsterdamse bundel Liturgische Gezangen II (1985, nr. 39) heeft Oosterhuis het ook telkens opgenomen in de sinds die tijd verschenen bundelingen van zijn liedteksten: Nieuw bijbels liedboek (1986, blz. 123), Gezongen liedboek (1993, blz. 493), Verzameld liedboek (2004, blz. 362) en Stilte zingen (2018, blz. 287). Wat betreft de liturgische praktijk is het lied echter minder wijd verspreid aangezien het in vrijwel alle liedbundels ontbreekt. Aanvankelijk werd het alleen opgenomen in de Petrus en Paulus bundel (1987, nr. 316). Het zou ruim 25 jaar duren voordat het lied weer in een bundel werd opgenomen, eerst in het Liedboek (nr. 609) en enkele jaren later in de oecumenische bundel Zangen van zoeken en zien (2015, nr. 198).

De versie die in het Liedboek is opgenomen, is vrijwel identiek aan die in het Verzameld liedboek. Alleen in de laatste strofe is, zoals in het gehele Liedboek (spellingsafspraak) de hoofdletter van ‘naam’ achterwege gelaten. Een vergelijking met de oudste versie van het lied die verscheen in Liturgische Gezangen II, en die identiek is aan de versie in de Petrus en Paulus bundel, laat enkele kleine wijzigingen zien. De eerste strofe omvatte aanvankelijk één doorlopende zin die later is opgesplitst in twee zinnen door in de tweede regel na ‘Babels stromen’ een punt te plaatsen en met ‘Toen’ met een hoofdletter een nieuwe zin te beginnen. Ook in de laatste regel van de tweede strofe werd een zin opgesplitst. De plaatsbepaling ‘Daar in den vreemde.’ begint nu met een hoofdletter en maakt deze passage tot een zelfstandige zin, terwijl deze aanvankelijk een geheel vormde met het voorafgaande gedeelte van de regel, ondanks het vraagteken midden in de zin. En ook ‘wie’ wijzigde in deze zin doordat het niet meer met een hoofdletter werd geschreven. Een kleine wijziging in de spelling onderging ‘recht overeind’ in de derde strofe dat als één woord werd geschreven. Ten slotte is nog een aantal keren een hoofdletter vervangen. Dit betreft ‘Boek’ in de laatste regel van de vierde strofe, ‘Naam’ in de tweede regel van de laatste strofe, en ‘Die’ in de laatste regel waarbij de voorafgaande komma bovendien is gewijzigd in een dubbele punt.

Vorm en structuur

Het lied bestaat uit vijf strofen van elk vier regels. Iedere strofe heeft een eigen regelmatig rijmschema. Dat bestaat uit gekruist rijm waarbij de rijmwoorden zich bevinden op het einde van respectievelijk de oneven en de even regels: A-b-A-b. Alleen in de tweede strofe doorbreken de tweede en vierde regel dit schema. Deze laatste regel valt niet alleen op door de afwijking van het rijmschema, maar ook door de gebroken, brokkelige zinsbouw.

In tegenstelling tot het rijm vertoont het ritme geen gelijkmatige regelmaat. De eerste twee regels van elke strofe hebben de rustige cadans van de telkens herhaalde jambische versvoet (v -). Maar behalve in strofe 4, waar het ritme van de jambe helemaal wordt volgehouden, vertoont de tweede helft van de strofen geen regelmatig ritme meer. Dan doen ook de dactylus (- v v), en de trocheus (- v) hun intrede. Zie als voorbeeld de derde en vierde regel in de tweede strofe: - v v / - v / - v / - v / - // v - / v - / v - / - v v / - v. Ook het enjambement van de tweede naar de derde regel in de eerste en de derde strofe beëindigen de rustige cadans van de eerste helft van deze strofen.

Wat betreft de opbouw van het lied springen naast het rijm en het ritme enkele structuurelementen in het oog. Vooral de parallellie in de aanhef van de eerste drie strofen valt op. De herhaling met variatie (‘Toen ik daar’, ‘Toen ik Hem’, ‘Toen Hij mij’) versterkt de intensiteit die ook wordt opgeroepen door de opeenvolging van zitten, zien en roepen. En in de vierde strofe ontstaat een cumulatief effect door de herhaling van ‘dat Hij’.

Inhoud

In zijn Nieuw bijbels liedboek (1986) heeft Huub Oosterhuis een honderdtal bijbelse liederen verzameld die naar zijn zeggen een samenhangende reeks vormen. In het ‘Ten geleide’ schrijft hij dat boven elk lied ‘[E]en summiere ‘verbindende tekst’ bestaande uit letterlijke Schriftcitaten’ staat ter bevordering van de leesbaarheid en de overzichtelijkheid (blz. 5). Boven dit lied staat een citaat uit Ezechiël 3: ‘Hij sprak tot mij: Mensenkind, eet deze boekrol op – en dan, spreek woorden tot de kinderen van Israël.’ Zowel deze toelichting als de (onder)titel van het lied laten er geen twijfel over bestaan dat dit lied handelt over Ezechiël, een van de drie grote profeten die werkzaam was onder de ballingen in Babylonië. In het lied gaat het niet zozeer over de ondergang van Juda en Jeruzalem en de belofte van herstel, zoals in het boek Ezechiël, maar wel over de kernboodschap van deze profeet die in de laatste regel kernachtig, bijna als een climax wordt geformuleerd: weet dat Ik, de Eeuwige uw God ben en dat Ik u nooit laat vallen (vgl. Ezechiël 6,7). Aan deze conclusie gaan vijf strofen vooraf, waarin de profeet Ezechiël aan het woord is; hij is de ‘ik’ in het lied.

In de eerste strofe wordt de profeet gesitueerd in de setting van Psalm 137: daar aan de rivieren van Babylonië zat hij, van alles en iedereen verlaten; daar is het zingen hem vergaan, is uitzichtloosheid zijn deel en vervloekt hij zelfs zijn eigen bestaan: was ik maar nooit geboren.

Dan verspringt het lied in de tweede strofe naar het beeldende visioen uit Ezechiël 1 met de overweldigende natuurverschijnselen waarin de profeet God ziet en zijn aanwezigheid ervaart. Hij zag ‘een gedaante als van een mens … iets dat glansde als wit goud en door iets als vuur omgeven was (Ezechiël 1,26), door Oosterhuis hertaald tot ‘mensengestalte, stralend vergezicht’. Overrompeld door dit stralend vergezicht viel de profeet ter aarde, maar werd aangesproken en stond weer op, waarna hij zijn opdracht te horen kreeg. Dit deel van het roepingsvisioen (Ezechiël 1,28-2,2) is bijna letterlijk hernomen op het einde van strofe 2 en het begin van strofe 3.

Vervolgens wordt in de vierde strofe herhaald hoe God zijn woorden en zijn belofte gestand doet, verwijzend naar de bevrijding uit Egypte (Exodus 14) en naar het visioen van de dorre doodsbeenderen (Ezechiël 37) als perspectief op een nieuwe toekomst, op opstanding uit de dood en op nieuw leven. En dat alles vanuit de overtuiging en de ervaring door God gekend en in Hem geborgen te zijn vanaf het prilste begin. Daarbij parafraseert Oosterhuis de vertaling die hij ooit maakte van Psalm 139,16: ‘Ik was nog ongeboren, Gij had mij al gezien, en al mijn levensdagen stonden in uw boek.’

Ten slotte wordt in de laatste strofe de roeping van Ezechiël nogmaals bevestigd onder verwijzing naar Ezechiël 3,17: hij wordt aangesteld als wachter en moet namens God spreken; hij is tot zijn stem gemaakt en hij zal zijn naam weer bekend maken (‘ik roep zijn naam in uw oren’, vergelijk Ezechiël 36,22-32). En uiteindelijk volgt dan de conclusie: die God, van wie jullie verwijderd zijn geraakt (‘zo ontheemd’) en die ik jullie verkondig en wiens stem ik ben, die God is degene die jullie nooit zal laten vallen. Het laatste woord ‘verloren’ vormt een inclusio met ‘verloren’ aan het begin van het lied, maar intussen is de intentie van het lied omgekeerd. Het begin situeert de mens in een desastreuze omgeving waar hij zich verloren voelt en op het eind van het lied volgt de aanzegging dat God niemand verloren gaat gaan.

In deze hervertelling van de roeping van Ezechiël richt de profeet zich met zijn boodschap tot de zanger of de luisteraar die opgeroepen wordt om, zoals tijdens de ballingschap, zichzelf tot God te keren en diens heilige Naam te herstellen.

Liturgische bruikbaarheid

Het lied kan goed gezongen worden in combinatie met een lezing van Ezechiel 1 of 37. Ook bij thema’s als Godverlatenheid of uitzichtloosheid kan het lied goed functioneren.

Auteur: Louis van Tongeren


Melodie

Voor een toelichting bij de melodie: zie Liedboek 353.