Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

615 - Christen, offer nu je loflied


Een eerste kennismaking

Het lied Victimae paschali laudes - Christen, offer nu je loflied is een middeleeuws kerklied, dat al vroeg populair onderdeel is geworden van onze liederenschat en daarom ook na de Reformatie van de zestiende eeuw in de liturgie gezongen is gebleven, met name in Lutherse kring.


Victimae paschali laudes

Wipo van Bourgondië
Piet Gerbrandy
11e eeuw

Tekst

De auteur van de tekst van deze sequentie voor de paasweek is volgens een elfde-twaalfde-eeuws handschrift uit de kloosterbibliotheek van Einsiedeln ene Wipo van Bourgondië. Zie aan de kop van de illustratie hieronder.

 Voorbeeld 1. Einsiedeln, Stiftsbibliothek, Codex 366 (472). Neumennotatie

De zeer tekstgetrouwe Nederlandse vertaling is van Piet Gerbrandy, dichter, essayist en classicus, docent klassiek en middeleeuws Latijn aan de Universiteit van Amsterdam.

In de hymnologische geschiedenis van de sequentie neemt Victimae een bijzondere plaats in. In tegenstelling tot oudere sequenties blijkt zij elementen van ritme en rijm te bevatten. Als zodanig vertegenwoordigt Wipo een overgangsfase tussen de twee bekende sequentiedichters Notker Balbulus (± 840-912) met zijn ‘vrije’ teksten en Adam van St. Victor (± 1100-1146) met diens ritmisch en strofisch strakker geordende verzen (Catholic Encyclopedia 1917).

De weergave van het gezang in het Liedboek is conform het Graduale Romanum (1974, blz. 198) en komt overeen met die in het Handschrift Einsiedeln. Dit laatste heeft zoals te zien is in het voorbeeld tussen Surrexit spes mea… en Scimus Christum surrexisse… een tekstgedeelte dat door het Concilie van Trente uit het Missaal van 1570 verwijderd werd. De reden daarvan was de erin verwoorde Jodenhaat: Credendum est magis soli / Mariae veraci / quam Judaeorum turbae fallaci (Het is beter te geloven in de waarachtige Maria, dan in het bedrieglijke volk der Joden). De weglating was overigens wel nadelig voor de poëtische en muzikale vorm omdat daarmee de herhaling van de melodie, zoals we die telkens zien, wegviel en dus het evenwicht van het geheel enigszins werd verstoord. Bij diezelfde gelegenheid werd omwille van het juiste aantal lettergrepen praecedet suos (‘Hij gaat de zijnen voor’) vervangen door praecedet vos (‘Hij gaat u voor’) en aan het einde ‘Amen. Alleluia’ toegevoegd, zoals ook in de Liedboek-versie. In het Graduale van 1908 zien we suos weer terugkeren, dat overigens in het Liedboek vertaald werd met ‘ons’.

Zowel de tekst als de melodie heeft in de loop der jaren geleid tot een indeling in twee langere hoofdstrofen, voorafgegaan door een inleiding (Victimae…) en gevolgd door een triumfantelijke paasjubel (Scimus Christum surrexisse…). In de eerste hoofdstrofe wordt het drama van de verlossing bezongen (Agnus… Mors et vita…). De melodie staat in de dorisch-modale toonaard, dit in schril contrast met de lager liggende dorisch-plagale melodie van de tweede strofe (Dic nobis Maria… Sepulcrum Christi viventis… Angelicos testes… Surrexit…), die een scene uit een middeleeuws paasspel lijkt, waarin aan Maria Magdalena wordt gevraagd wat zij zag in en bij het graf op de morgen van Pasen: gloriam vidi resurgentis. Het jubelende Scimus Christum surrexisse staat weer in de hoger liggende dorisch-authentieke modus. Het is de aloude paasgroet, waarmee men met name in Griekenland elkaar tot op de huidige dag begroet: Christos anésti! Deze indeling wordt bevestigd door een oude Duitse traditie om na de eerste en tweede strofe en aan het einde een vers te zingen van het lied Christ ist erstanden, dat er qua tekst en melodie nauw aan verwant is (Liedboek 613: ‘Christus is opgestaan’; zie verder bij ‘Melodie’). Zie bijvoorbeeld een aantekening bij nr. 215 van Gotteslob-1975. Uit voorbeeld 3 hieronder blijkt dat er ook op andere momenten een strofe van werd gezongen. Volgens de hymnoloog Peter Wagner werd het scenische karakter van dit lied – vooral vanaf dic nobis Maria – niet eerder dan in de dertiende eeuw toegevoegd, wat aanleiding werd het op te nemen in het Officium (of Visitatio) sepulcri, een religieus paasspel. Anders dan velen menen is Victimae dan niet afkomstig uit zo’n paasspel, maar is de volgorde van beïnvloeding andersom (Catholic Encyclopedia). In sommige hymnologische studies wordt deze invoering beschouwd als het begin van het moderne (religieus) drama (Bates 1893).


Melodie

Een sequentie (sequentia = ‘de daarop volgende [woorden]’) ontleent vanouds haar melodie aan het melismatische begin van het gregoriaanse alleluiavers, dat voorafgaand aan de lezing uit het evangelie werd/wordt gezongen. Aanvankelijk werd de notensliert van het woord ‘alleluia’ van een tekst voorzien (trope). Later werd het begin van de alleluia-melodie het centrale motief of uitgangspunt voor een min of meer nieuwe compositie, die op den duur uitgroeide tot een volledig lied. De melodie van Victimae, die even oud moet zijn als de tekst, is een voorbeeld van deze latere fase.

Volgens de gregorianist Franz Prassl (Liederkunde... 2004, blz. 60) is haar hoofdmotief onleend aan Alleluia. Christus resurgens, dat momenteel gezongen wordt op de vijfde zondag in de paastijd. Zie voorbeeld 2.

 Voorbeeld 2. Graduale Romanum 1974, p. 226, begin Alleluia: Christus resurgens

We herkennen onder Alleluia en Christus… de eerste regel van Liedboek 615. Ook de dorische toonaard is identiek. De Duitse hymnoloog Bruno Stäblein (1895-1978) verklaart in de encyclopedie Die Musik in Geschichte und Gegenwart (MGG) de al aangestipte melodische overeenkomsten met Christ ist erstanden vanuit wederzijdse beïnvloeding: in latere tijd zouden elementen van dit populaire Duitse lied in de sequentiemelodie van Victimae verwerkt zijn, zoals met name het genoemde centrale melodische motief re-do-re-fa-sol, dat we ook terugzien bij Agnus redemit, Dic nobis Maria (met de herhalingen) en Scimus Christum surrexisse. Zo is het de vraag of ook de variant mi-fa-re in de afsluiting van melodiefragmenten, die we in bepaalde handschriften tegenkomen, te danken is aan Christ ist erstanden, waarvan de strofen vaak zoals reeds vermeld veelal om en om met die van Victimae gezongen werden. Zie het derde voorbeeld:

 Voorbeeld 3. Codex Admont 323 – kwadraatnotatie, 1603

Wordt voor het Liedboek de melodische versie van het Graduale Romanum gevolgd, voor de ritmische articulatie van deze vrije melodie werd daar soms terecht van afgeweken. Anders dan in het Graduale, waar elke tekstzin consequent een melodische interpunctie krijgt in de vorm van een kleine of grotere deelstreep, ook al zou de tekst daarom niet vragen, is hier rekening gehouden met het verloop van de tekst. Het procedé werd echter niet consequent toegepast. Zie bijvoorbeeld na laudes aan het einde van de eerste regel, waar de tekst misschien beter niet door een deelstreepje onderbroken had kunnen worden. Hetzelfde geldt voor dat na duello. Een gemis in de weergave in het Liedboek is de afwezigheid van een nadere indeling ten behoeve van een uitvoering door meerdere (twee) groepen, bijvoorbeeld cantorij en gemeente. Zoals al vermeld zijn de slotwoorden Amen. Alleluia latere toevoeging.

In de zestiende eeuw was Victimae zo bekend dat zij melodisch materiaal kon verschaffen aan Psalm 80 van het Geneefs Psalter (zie het artikel Het Geneefse Psalter van Jan Luth). De eerste drie regels van deze psalm zijn een bijna letterlijk citaat. Voor de volledigheid wordt nog gewezen op gezang 202 uit het Liedboek voor de kerken, ‘Nu de Heer is opgestaan’, met een Victimae-gelijke melodie uit een dertiende eeuws handschrift en ritmisch gearticuleerd door Jan van Biezen. Heeft het Victimae de eeuwen glansrijk overleefd door haar innerlijke kracht, zeker ook de waardering van Luther speelde in dit opzicht een belangrijke rol. Hij beschouwde het als een ‘zeer schone hymne’. Zie hiervoor de bespreking van Liedboek 618 (Christus lag in dood terneer).


Liturgische bruikbaarheid

Vanouds wordt deze sequens in de paasweek gezongen voorafgaand aan de evangelielezing. Het is bekend dat Luther in zijn Wittenbergse tijd pogingen ondernam om op zondagen het Latijnse sequentielied te vervangen door een lied in de volkstaal. Volgens R.A. Leaver (2007, blz. 227vv) begonnen Luther en zijn collega’s na de winter van 1523-1524 liederen in de volkstaal te vervaardigen voor gebruik in de liturgie, de bekende Graduallieder. Leaver haalt uit twee visitatieverslagen (uit 1528 en 1533) de Wittenbergse regel aan dat van Pasen tot zondag na Hemelvaart na het Alleluia Victimae Paschali moest worden gezongen, samen met Christ lag in Todesbanden, vers om vers, de Latijnse tekst door het koor, de Duitse door de gemeente. De gewoonte om Latijnse gezangen met volkstaalliederen te vermengen was overigens al ouder. Zo meldt de Crailsheimer Schuldordnung van 1480 dat tussen de verzen van Victimae behalve die van Christ ist erstanden (zie voorbeeld 3) ook wel die van Surrexit Christus hodie en haar Duitstalige versie Erstanden ist der heilig Christ (zie Liedboek 617) werden gevoegd (Bäumker 1885, blz. 541).

De liturgische plaats van de al genoemde Visitatio sepulcri was na het derde responsorium van de metten, het nachtgebed van het getijdengebed. Enkele monniken gingen in hun rol van de drie Maria’s op weg naar een nagebootst graf, waar een in het wit geklede monnik (= engel) hen toezong:

De engel:
               Quem quaeritis in sepulchro, o Christicolae?
de drie Maria's: 
               Jesum Nazarenum, crucifixum, o caelicolae!
de engel: 
               Ite, - nuntiate quia surrexit!

Dan volgde de sequentie Victimae paschali, afwisselend gezongen door de drie Maria’s, koor en cantor. De ‘voorstelling’ werd beëindigd met het gezamenlijk gezongen Te Deum laudamus, zijnde de reglementaire afsluiting van het nachtgebed (Te Winkel 1922, blz. 328-329).

Auteur: Anton Vernooij

Literatuur

Catholic Encyclopedia. Ohio 1917.
Die Musik in Geschichte und Gegenwart. Lemma ‘Sequenz’. Deel 12, kolom 524. Kassel 1965.
Liederkunde zum Evangelischen Gesangbuch, deel 10, Göttingen 2004.
Wilhelm Bäumker, Das katholische deutsche Kirchenlied in seinen singweisen. Freiburg (Breisgau) 1885.
Katherine Lee Bates, The English Religious Drama. New York/London 1893.
Robin A. Leaver, Luther’s Liturgical Music. Principles and implications. Grand Rapids (Michigan) 2007, blz. 227vv.
J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. Deel 2: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd. Haarlem 1922.