Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

639 - Christus in het graf geborgen


Ria Borkent
Christiaan Winter

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Dit lied is geschreven met het oog op de morgen van Pasen. Het verscheen eerder in Zingend Geloven 5 (1995, nr. 51), Gereformeerd Kerkboek (2006, gezang 93) en in de eigen bundel van Ria Borkent, Zing met de hemelboden (2003, nr. 50). Het is ook opgenomen in Weerklank (2016, nr. 165) en in de vernieuwde versie van het Gereformeerd Kerkboek (2017, gezang 207).

Inhoud

De tekst van dit lied suggereert een beweging van beneden naar boven. Het begint in de diepte (1.1) en het eindigt bij God in de hoge (2.5).

Strofe 1

Christus is in het graf geborgen. Maar meteen in de tweede regel van deze strofe wordt Pasen onder woorden gebracht. Christus is aan het licht gebracht. Het graf als sluitstuk van het leven vormt hier de opening van een nieuw bestaan.
De volgende drie regels schilderen de aard van deze beweging. Het oude bestaan waarin er alles aan gedaan wordt om de Heer in de dood vast te houden, krijgt met ongekende krachten te maken. Christus passeert de dodenwacht, Matteüs 28,4. Hij ontneemt de nacht, symbool van donkerheid en dood, zijn zeggenschap en verbreekt het zegel dat de nacht (de dood) veilig moest stellen (Matteüs 27,66).
De regel van de dood klinkt herhaaldelijk in Genesis 5. Een mens verwekt zonen en dochters, haalt een bepaalde leeftijd en ten slotte wordt van hem gezegd: en hij stierf. Ook deze regel wordt gebroken. De macht van de dood wordt vernietigd, wat beeldend onder woorden is gebracht door de herhaling van ‘breekt’ in regel 4 en 5.

Strofe 2

In de tweede strofe biedt de opgestane Heer de opening naar een ongekend leven. Hier wordt Pasen verbreed naar allen die bij Christus horen. Niet alleen Christus is aan het licht gekomen, maar Hij heeft de zijnen meegenomen (regel 1-2). Daarin komt het groot gezag van zijn verschijning tot uiting.
De regels 4 en 5 schilderen de opwaartse beweging voor allen die bij Christus horen. De doden worden naar de dag gedragen, hoger nog, ze worden opgeheven tot bij God. Hier klinken bijbelse noties mee uit Johannes 6,44 en 1 Tessalonicenzen 4,14.
Opmerkelijk is dat in strofe 2 de toekomst tegelijk ook klinkt als een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden: Christus heeft de zijnen meegenomen.
Beide strofen worden afgesloten met een doxologie, regel 6. In strofe 1 wordt de grootheid van God geprezen. Dat correspondeert met de grote kracht die aan het licht is gekomen door het breken van de macht van de dood.
In strofe 2 wordt de goedheid van God geprezen. Dat verwijst naar het wonder dat wij mogen delen in de opstanding van Christus.

Liturgische bruikbaarheid

In het Liedboek heeft het als laatste lied een plaats gekregen onder de rubriek Drie dagen van Pasen.
Het is een lied dat gezongen kan worden in de paasnacht en op paasmorgen, maar het kan ook op andere momenten klinken in de paastijd. Op verschillende zondagen in de periode wordt in diverse lectionaria een lezing uit Openbaring aangegeven waarbij de laatste regel van de twee strofen in ieder geval goed aansluit.

Auteur: Jan Groenleer


Melodie

In 1995 verscheen de tekst van Ria Borkent in Zingend Geloven 5 (1995, nr. 81) op een melodie van Feike van Tuinen. In Zing met de hemelboden – 77 kerkliederen voor gemeente en cantorij (2003, nr. 50) stond het lied afgedrukt op een melodie van Dirk Zwart. Met die melodie verscheen het ook in Gereformeerd Kerkboek (editie 2006, gezang 93; editie 2017, gezang 207). In het Liedboek staat het lied uiteindelijk afgedrukt met een op verzoek van de redactie nieuw gemaakte melodie van Christiaan Winter, die daar over schrijft: ‘omdat het lied in de meeste gemeenten op het paasfeest gezongen zal worden, moest er een melodie komen die geen lastige melodische wendingen of ritmes bevatte. Daarom alleen 'kilo's en ponden' en alles netjes één, twee in de maat’ (e-mail aan de redactie van het liedboekcompendium, 13 november 2014).

De melodie heeft een heldere structuur en opbouw: de eerste en de vijfde regel zijn aan elkaar verwant, evenals regel 2 en regel 6 en in het midden de derde en de vierde regel. Vanuit de grondtoon g’ – met als wisselnoot fis’ – beweegt de melodie in de eerste regel secundegewijs naar de a’, om in de tweede regel op te klimmen naar de kwint d”, waarna een daling volgt naar de onderkwart d’. De derde regel heeft als kop e’-fis’-b’ (de kwint wordt bereikt via de kwart) en eindigt in een dalend motief b’-a’-g’, de vierde regel springt vanaf de grondtoon g’ via de topnoot e” naar de kwint d”, uitmondend in wederom een dalend motief: d”-c”-b’[. Het verleent aan de respectievelijke tekstregels ‘breekt het zegel van de nacht,’ en ‘draagt de doden naar de dag’ een bijzondere expressiviteit. Regel 5 is dus een herhaling van 1 en regel 6 van 2, afsluitend op de grondtoon g’.

De melodie is mede eenvoudig mee te zingen vanwege het door Winter vaker gehanteerde principe van de ‘elementaire bouwstenen’ (zie bijvoorbeeld Liedboek 285). Die bouwsteen is hier de scandicus (de in het gregoriaans zo genoemde groep van drie secundegewijs stijgende noten) en diens omkering (climacus). De stijgende figuur komt voor het eerst voor in de tweede maat van regel 1 (g’-a’-b’) en opent ook de tweede regel (b’-c”-d”). Dalend komt ze voor aan het eind van regel 2 (a’-g’-fis’), van regel 3 en 4 (b’-a’-g’ en d”-c”-b’) en vervolgens ook weer in de herhaling van de laatste regels.
Ook de ritmische gestalte is eenvoudig: alleen halve en hele noten, of ‘kilo’s en ponden’ zoals Winters voorganger Willem Vogel dat graag aanduidde. De twee halve noten aan het einde van de melodie brengen de melodie fraai tot rust, maar onderstrepen ook de slotconclusie van beide strofes, resp. ‘Hij is groot’ en ‘Hij is goed’.

Auteur: Cees-Willem van Vliet