Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

641 - Jezus leeft en ik met Hem


Jesus lebt, mit ihm auch ich

Christian Fürchtegott Gellert
Ad den Besten
Berlijn 1653
Jesus, meine Zuversicht

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Christian Fürchtegott Gellert dichtte dit waarschijnlijk meest geliefde van zijn liederen op de melodie van Jesus, meine Zuversicht (zie Evangelisches Gesangbuch, nr. 526), in Nederland bekend geworden, in een vertaling door Bernard ter Haar (1806-1880) als ‘Jezus is mijn toeverlaat’ (onder andere nog opgenomen in de ‘Hervormde Bundel 1938’ als gezang 234). Hij deed dit kennelijk niet alleen omdat de melodie hem zo aansprak; de nieuwe tekst, die hij schreef, heeft veel weg van een doorgaande meditatie op de eerste regel van het oudere lied (1653), dat (in Duitsland nog veel vaker dan bij ons gezongen) vermoedelijk terecht op naam staat van Louise Henriëtte (1627-1667), keurvorstin van Brandenburg en dochter van onze stadhouder Frederik Hendrik. Maar terwijl het lied van de Nederlands-Duitse prinses in het Evangelisches Gesangbuch is ondergebracht in de rubriek Sterben und ewiges Leben en inderdaad waarschijnlijk geschreven werd naar aanleiding van het vroegtijdige sterven van een kind, is Gellerts tekst (EG 115) uitgegroeid tot een geloofsgetuigenis, dat het paasgebeuren in zijn volle breedte zou willen overwegen. Ook de twee niet vertaalde strofen (3 en 4; de in het Liedboek aldus genummerde coupletten zijn in de oorspronkelijke tekst 5 en 6), die over de vergeving der zonden en het nieuwe leven handelen, worden afgesloten met de regel Dies ist meine Zuversicht, een ‘refrein’, dat in de laatste strofe nog eens zeer persoonlijk (zij het op de wijze van een ‘citaat’) wordt toegespitst tot Herr, Herr, meine Zuversicht!

De vroegere vertaling van Ahasverus van den Berg (1733-1807, Evangelische Gezangen nr. 137) zette het ‘ik’ van Gellerts lied om in het gemeentelijke ‘wij’: ‘Jezus leeft, en wij met Hem’. (Zo ook nog de ‘Hervormde Bundel 1938’, gezang 62). Maar dat is niet alleen grammaticaal nogal bedenkelijk, het komt mijns inziens ook niet overeen met de teneur van de oorspronkelijke tekst. Gellert dacht niet gemeentelijk, – voor hem is de grote vraag: ‘Wie is Christus voor mij’, of: ‘Wat nut mij de opstanding van Christus?’ En die vraag schijnt mij in de gemeente nog altijd niet ongeoorloofd of achterhaald te zijn.

Auteur: Ad den Besten


Melodie

De melodie van Jesus, meine Zuversicht. doet dienst bij het lied Jesus lebt, mit ihm auch ich. Het Evangelisches Gesangbuch heeft als bijschrift alleen: ‘Berlin 1653.’ De melodie komt inderdaad in 1653 voor en wel in twee liederenboeken, namelijk het gezangboek van Runge en de bekende bundel Praxis Pietatis. Van die laatste bundel had Johann Crüger (1598-1662) zeker de muzikale redactie, maar zijn naam wordt pas in een latere druk aan dit lied verbonden, namelijk in de uitgave van de Praxis Pietatis van 1668, waarvan Peter Sohr(en) (±1630-±1692) de uitgave verzorgde. Het lijkt me het meest waarschijnlijk, dat de melodie in eerste instantie van een andere componist is, maar dat zij door Crügers redactie pas een goed bruikbare vorm kreeg. De eerste vorm bij Runge heeft slechts twee regels die we herkennen, de rest is totaal anders. Zeer waarschijnlijk is Crüger de man geweest, die de regels 3 en 4 gelijk maakte aan 1 en 2, waardoor het lied dus de bekende Barvorm kreeg en dan voor de gemeente veel gemakkelijker is te zingen. Ook zal hij het Abgesang (de regels 5 en 6) praktisch nieuw hebben gecomponeerd. Het is overigens onvoorstelbaar in hoeveel verschillende varianten die laatste regels zich in de loop der eeuwen vertonen. Men zou geneigd zijn te zeggen: iedere componist of organist heeft er zijn variatiewoede op gekoeld.

Ook met de tweede regel is zo voor en na nog al eens iets gebeurd. De derde noot is bijvorbeeld vaak als g’ genoteerd in plaats van a’. Ook de Nederlandse notaties van de Evangelische Gezangen uit 1806 (gezang 39), de Eenige Gezangen der Gereformeerde Kerken uit 1933 en de ‘Hervormde Bundel 1938’ (gezang 168) hadden alle de traditie met g’ overgenomen. Toch dateert die pas van 1704 uit het Gesangbuch van Freylinghausen te Halle. Minstens vijftig jaar is dus de versie met a’ in omloop geweest. Het lijkt me niet onmogelijk, dat deze a’ in g’ is veranderd, toen men de ritmiek verwaarloosde en het lied isometrisch ging zingen: de inzet a’-c”-a’ van die tweede regel werd toen veel saaier en vroeg om meer variatie. Met herstel van het oorspronkelijke ritme kan dus ook herstel van het oorspronkelijke melos gepaard gaan.

De melodie heeft voor gemeentezang een grote ambitus: niet minder dan een decime. Men zal er bij gelegenheid goed aan doen het lied ook eens in Bes te zingen. Overigens: de hoogste noot komt slechts eenmaal voor en wordt voor de laatste regel bewaard. De bekoorlijkheid van deze melodie zal voornamelijk gelegen zijn in de afwisseling tussen op- en neergang.

Auteur: Bernard Smilde


Media

Uitvoerenden: Magister Cantat Schiedam o.l.v. Arie Eikelboom; Ben Feij, orgel (bron: KRO-NCRV()