Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

647 - Voor mensen die naamloos


Henk Jongerius
Jan Raas

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Dit lied is voor het eerst verschenen in Voor naamloze mensen (Hilversum, 1979), twaalf liederen van Henk Jongerius en Jan Raas. Het heeft zijn weg in de liturgie gevonden en is opgenomen in verschillende bundels: Petrus en Paulusbundel (1987, nr. 335), Gezangen voor Liturgie (editie 1996, nr. 644), Tussentijds (2005, nr. 168), Voor onderweg (2005, nr. 6) en Zingt Jubilate (editie 2006, nr. 774).

De tekst

Een tekst van vier strofen van zes korte regels met het rijmschema a-a-B-c-c-B. Een tekst voor mensen op weg, mensen die getekend worden door ervaringen van voorlopigheid, onzekerheid en kwetsbaarheid, mensen die nog zonder naam zijn en niet tot een onafhankelijk bestaan zijn gekomen. De eerste helft van iedere strofe geeft een karakterisering van deze mensen. De tweede helft doet een toezegging, roept een nieuwe werkelijkheid op.

Het is dus verantwoord eerst deze karakteriseringen te bekijken. Deze mensen zijn wél naar buiten gericht, ze zijn roepend, tastend en zoekend; sterker nog ze hebben iets te verwachten, ze kijken uit naar iets (derde strofe). In de laatste strofe blijken die mensen, herkenbaar als de huidige mens, ook gelovig te zijn. Het zijn geen onverstoorbare standvastige ‘broeders’, hun basis is wankel en de vaststaande zekerheid van vroeger is nu de onzekere gang door het leven. Aan die mensen gebeurt hier en nu iets, zo klinkt steeds opnieuw in de tweede helft van iedere strofe. En ‘hier’ duidt op de plaats waar het lied wordt gezongen, de plaats waar mensen liturgie vieren, hun wel en wee voor de Levende brengen en luisteren naar Gods woord. Daar vindt steeds de verandering plaats die we nu per strofe zullen aanduiden: In de eerste strofe krijgen de naamloze een naam. Opvallend is dat het in de eerste helft steeds lijkt te gaan over anderen, terwijl het in de laatste regel gaat over ‘wij’. We worden van object tot subject. In de tweede strofe verandert het roepen en tasten en zoeken door het verschijnen van het teken van het breken van het brood in het stevige ‘kunnen bestaan’. In de derde strofe klinkt eerst het vragen en in de laatste regel ‘wij worden verstaan’. In de laatste strofe wordt de hoop en het wankel geloof getransformeerd in het dragen van zijn naam. Wij zullen zoals de eerste mensen (Adam) weer tot onze ware grootte komen, tot het echte leven.

Bij de eerste uitgave van dit lied staat onder de tekst ‘naar Lucas 24,13-35’. In het Liedboek staat deze verwijzing er niet meer bij, maar wel in het Register op bijbelplaatsen (blz. 1587-1603). De verwijzing naar het Emmaüsverhaal lijkt er in eerste instantie wat bij gesleept, maar wat gebeurt er met deze tekst wanneer je het verhaal van de teleurgestelde en mismoedige leerlingen op weg van Jeruzalem naar Emmaüs erbij laat klinken? Nogal wat van de gebruikte woorden en uitdrukkingen krijgen meer contouren. ‘Wij krijgen een naam’ kan verwijzen naar de naam van de eerste gelovigen: mensen van de Weg (Handelingen 9,2). ‘Ontwaakt hier nieuw leven’ verwijst ondubbelzinnig naar de verrijzenis, ‘brood om te breken’ stelt de maaltijd in Emmaüs present. ‘Vragend, wachtend en wakend’ verwijst dan naar de leerlingen die ‘leefden in de hoop dat Hij degene was die Israël ging bevrijden’ (Lucas 24,21). Ten slotte worden de ‘wankel gelovende’ leerlingen versterkt, doordat de nieuwe Adam – Jezus – de oude mens opnieuw verbindt met God.

Het lied wordt vaak gezongen als voorbede of in de buurt van de voorbede. Als deze analyse klopt, dat er niet gebeden wordt, maar dat een belofte wordt vervuld, dan zou het eerder geschikt zijn om als intredelied gezongen te worden, bijvoorbeeld in de paastijd, of in de Dienst van de Tafel (vanwege de tweede strofe).

Auteur: Andries Govaart


Melodie

Toelichting bij de melodie volgt nog.


Media

Uitvoerenden: Sweelinckcantorij o.l.v. Christiaan Winter; Eric Jan Joosse, orgel (bron: KRO-NCRV)