Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

649 - O Heer, blijf toch niet vragen


De drie vragen

Jan Wit
Nico Verrips

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Het lied van ‘De drie vragen’, zoals de titel luidt in mijn bundel Ministeriale (1966, blz. 42), bij het verhaal over de rehabilitatie van Petrus, is evenals dat bij het Johanneïsche opstandingsverhaal (zie Liedboek 627) geen berijming van de perikoop. Het is daarentegen een meditatie over het bijbelse gegeven. In zekere zin vindt de identificatie met Petrus pas geleidelijk aan plaats. In de eerste strofe zingt de gemeente zelfs ronduit, in navolging van onze belijdenisgeschriften: ‘Gij weet dat ik U haat’. Pas in de voorlaatste strofe komt het goede antwoord: ‘Ik heb U lief’. Het structurele verschil tussen het antwoord in strofe 1 in de indirecte rede en het antwoord in de directe rede uit de voorlaatste strofe hangt samen met het feit dat we in strofe 1 de belijdenis der kerk naspreken, terwijl in het vervolg van het lied een meer bevindelijke relatie ontstaat. In de laatste strofe wordt duidelijk dat alle liefde van onze kant een gevolg is van de triomf van de liefde van Christus.
Door de herhaling aan het eind van iedere strofe van de beginregel der zelfde strofe wordt een sfeer van innigheid geschapen, al valt misschien niet te ontkennen dat dit lied, dat mijzelf bijzonder ter harte gaat, daardoor ook enigermate een precieus karakter krijgt. Overigens is bij het zingen van en nadenken over dit lied een zekere ingetogenheid op haar plaats.

Auteur: Jan Wit


Melodie

Het prachtige vers van Jan Wit, ‘O Heer, blijf toch niet vragen’ heeft mij bijzonder aangesproken, vooral de laatste strofe. De aanhoudende vraag van onze Heer heb ik in mijn melodie trachten weer te geven, de tekst heeft dus de structuur van de melodie bepaald.
De tweede muzikale volzin zet in zoals de eerste (zodat regel 3 gelijk is aan regel 1) maar vervolgt haar weg dan op eigen wijze; daarbij bereikt ze het melodische hoogtepunt, hetgeen weer prachtig met de tekst overeenstemt van bijvoorbeeld strofe 7: ‘Het offerlam regeert’. Ook de vijfde regel begint opnieuw met dezelfde (ritmische) aanhef waarmee de steeds terugkerende vraag is gesymboliseerd. Een karakteristiek interval in het geheel van de melodie is de terts sprong c’-e’ aan het einde van de tweede regel.
Men moet deze melodie liever niet hoger of lager zingen aangezien de omvang vrij groot is. Ze heeft iets breeds en moet dan ook in een rustig tempo worden gezongen, bijvoorbeeld MM 120 voor de kwartnoot.

Auteur: Nico Verrips


Media

Uitvoerenden: Haags Kerkmuziek Ensemble o.l.v. Hans Jansen; Jan Hage, orgel (bron: KRO-NCRV)