Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

655 - Zing voor de Heer een nieuw gezang


Cantate

Willem Barnard
Frits Mehrtens

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is nieuw geschreven voor deze website.

Het lied ‘Zingt voor de Heer een nieuw gezang’ werd geschreven met het oog op de zondag Cantate. Dat is de vierde zondag na Pasen, de introïtus luidt: Cantate Domino canticum novum. Het is de aanhef van Psalm 98. Het lied was nr. 98 in de proefbundel 102 gezangen. Het gaat in dit lied niet zomaar in het algemeen over het lofzingen, dat het zo prijzenswaardig is en door de gemeente beoefend moet worden! Er is wel degelijk rekening gehouden met een thematiek van die tijd van het jaar, de paastijd. Het zingen is een gespecificeerd zingen, welbewust van een bepaald zinsverband, een bijzondere samenhang. De vierde zondag na Pasen ligt al dicht bij de Hemelvaartsdag en Johannes 16,5-14 wordt in de klassieke liturgie als evangelie aangegeven: de Heer spreekt over zijn gang voor ons uit.

De tijd van Pasen af naar het begin van de zomer toe, die tijd van ‘omer-telling tot aan het Wekenfeest’, werd van huis uit door de vroege gemeente verstaan, niet als een wekenlang eenkennig feest (de keuze van de evangeliën laat dat duidelijk zien) totdat ineens het afscheid voor de deur stond na veertig dagen en een ‘heel ander’ chapitre begon, – integendeel werd door de vroege gemeente die wekenlange paasviering verstaan als een tijd van bezinning, van bezonnen vreugde, maar als een tijd waarin besef was van groei en beproeving. Het accent van Hemelvaart daarin was: dat de voorganger ‘die ons uit het slavenhuis geleidt’, de ‘rode zee’ door, op weg naar het ‘beloofde land’, het nieuwe rijk dan ook voor ons uit binnenging. Hij heet Jesjoea, Jozua, Jezus – dat is een en dezelfde naam. Hij is dan ook de Jozua die vóór Israël uit de nieuwe aarde betreden heeft. Men zou in onze gezangenbundels dus eigenlijk één doorgaande afdeling moeten hebben, waarin het pascha als één geheel wordt bezongen: kruispasen (Goede Vrijdag) niet afgezonderd van opstandingspasen, hemelvaartsaccenten niet apart van heel het paasevangelie waarin de hemelvaartsberichten inderdaad ‘accenten’ zijn. Men zou dan ook des te beter het aloude beeldverhaal herkennen van uittocht, doortocht, intocht! Het is het beeldverhaal van de exodus, Mozes met de pelgrimsgemeente. Het gaat met Pasen (en dus met heel het messiaanse geloof) altijd weer over de grote tocht. En het gaat in het onderhavige lied dan ook weer over dezelfde thema’s, met dezelfde beeldspraak, aan die oergelijkenis van de exodus ontleend.

Het gaat ook in dit ‘nieuwe gezang’ over die reisroute waar wij op aangewezen zijn. De Heer gaat ons voor ‘in wolk en vuur’. En wolk zowel als vuur komt ter sprake met Hemelvaart en Pinksterfeest, – maar ze komen ook ter sprake in het verhaal van de exodus, het reisverhaal dat in angstland begint en in belofteland uitmondt. Wanneer men eenmaal op die beeldspraak let, herkent men telkens het oude Toraverhaal en tegelijk de nabijheid van Pasen en Pinksteren . Er wordt gezinspeeld op het water uit de rots, op de onderdoorgang van de grote pascha-nacht, maar meteen ook op onze paasviering en op de doop die zo bij uitstek met het paasgeloof verbonden is. Het gaat over tekenen van gerechtigheid (en hoezeer wordt ons de woestijntocht in de heilige boeken geschetst als een tocht naar een wereld van recht, de wereld van onrecht achter ons latende!). De Geest des Heren vuurt ons aan, staat er dan, de heilige tekens te verstaan. Onder die tekens dan te begrijpen de oude ‘tekenverhalen’ die nog ons leven in de tijd kentekenen, zogoed als de signalen van rechtvaardigheid die de hoop op het in uitzicht gestelde Rijk levendig houden, maar ook de tekens van de sacramenten! Het lied ‘Cantate’ is dan ook niet alleen als zondagslied voor dat bijzondere tijdstip toepasselijk. Als zovele gezangen die zich hebben laten gezeggen door de bijbeltaal spreekt het bij verschillende gelegenheden: zeker ook bij de doop, op paas- en pinksterfeest, als men avondmaal viert of wanneer dan ook, waar de beseffen van het pascha ter zake zijn, beter gezegd: waar het bevrijdingsverhaal van Exodus wordt beseft als de waarheid over ons menselijk bestaan.

Auteur: Willem Barnard


Melodie

De melodie van Frits Mehrtens (1922-1975) bij het lied ‘Cantate’ is een van de eerste die ontstond in samenwerking met Willem Barnard voor de Amsterdamse Nocturnen. In Een Compendium… (k. 556) vermeldt de componist jaar en gelegenheid van ontstaan: ‘Dit lied is geresulteerd uit een opdracht van de televisieafdeling van het IKOR (destijds onder directie van ds. C.M. de Vries), die een kerkdienst uit de Hervormde Maranathakerk in Amsterdam Zuid wilde relayeren, op zondag Cantate in 1956’. Deze zondag viel in dat jaar op 29 april.

De eerste notatie van de melodie vinden we in De adem van het jaar, editie 1958, waarin bij een aantal teksten van Barnard achterin de melodieën werden genoteerd in het handschrift van Frits Mehrtens:
Mehrtens onderscheidde zich van zijn collega-componisten van nieuwe kerkliedmelodieën in die tijd door veel minder gebruik te maken van de middeleeuwse modi, maar juist de majeur-toonsoorten te hanteren. Daarbij wisselt hij twee- en driedelige metra af. Het systeem van de tactustekens, zoals Jan van Biezen dat uitwerkte, was in 1958 nog niet ontwikkeld. Mehrtens’ notatie laat zien dat hij zoekende is naar een manier om twee- en driedelige ritmes te noteren, zonder aan de klassieke maatsoorten gebonden te zijn.
Hij schrijft dat ‘het denken vanuit de tactus een historische categorie is, en geen wetmatigheid die tot in alle eeuwen vastligt. Aan het strand, geconfronteerd met de branding, daar ervaart men de tactus. Voor mijzelf heeft de melodie van dit lied intussen meer het karakter van een rivier, die een berglandschap doorsnijdt. Daarin komen cataracten voor, verticaal en horizontaal, en die storen zich niet aan een voorgeprogrammeerde tactus’ (Een compendium… k. 556).

Mehrtens baseert zijn melodieën op karakteristieken van de tekst. Bij de melodie voor het lied ‘Cantate’ is dat duidelijk. Hij noteert in zijn toelichting de volgende aspecten:
- het beweeglijke karakter van de tekst;
- het ‘stromen’ in de strofen 1, 3, 4 en 5;
- het ‘Hij’ in strofe 2 tegenover het ‘wij’ in strofe 5;
- het woord ‘doorleven’ in strofe 5 moet gelezen worden als ‘dóórleven’ en niet ‘doorléven’;
- de toonsoort E-groot.
Het beweeglijke en het ‘stromen’ uit zich door een golvend melodieverloop. Het accent op ‘Hij’ (strofe 2) en ‘wij’ (strofe 5) krijgt nadruk door een breedteaccent; daardoor is de eerste noot van de eerste regel een halve noot, bij de andere regels is dat een kwartnoot. Het gewenste accent op in het woord ‘doorleven’ ontstaat door de eerste lettergreep op een accentnoot te plaatsen; in de oorspronkelijke notatie de eerste tel van de maat.
Voor Mehrtens moest de melodie klinken als het slot van het orgelwerk Premier Choral van César Franck (1822-1890): een brede afsluiting in E-groot. In nagenoeg alle latere uitgaven wordt de melodie van Mehrtens in D-groot genoteerd.
Het laatste kenmerk geeft ook aan dat hij zijn melodieën hoort als onderdeel van de door hem gedachte meerstemmigheid. Zijn eigen zettingen bij zijn melodieën zijn dan ook eigenlijk onmisbaar. Hij denkt dus niet vanuit de eenstemmigheid zoals dat bij melodieën in dan veel gebruikte middeleeuwse modi wel gebeurt.

De melodie begint met een motief dat Mehrtens vaker gebruikt: d’-fis’-g’-a’:
Het aanvangsmotief van de schriftacclamatie ‘U komt de lof toe’ (Liedboek 339a) is identiek:
Ook de melodie van het lied ‘O Christus, Heer der heerlijkheid’ (Liedboek voor de kerken gezang 89; niet in het Liedboek opgenomen) kent hetzelfde openingsmotief:
Daarna bereikt de componist meteen de hoogste noot van de melodie (d”). Deze hoogste noot komt daarna niet meer terug in de melodie. Het is ongebruikelijk dat een hoogste noot al zo vroeg in de melodie voorkomt, maar het woord bij die noot in strofe 1 (‘nieuw’) zal zeker daarmee te maken hebben. De regels 2 en 3 hebben een duidelijke overeenkomst en lijken elkaars spiegeling. Regel 2 begint met het motief b’-b’-fis’-a’, regel 3 eindigt met het motief fis’-b’-b’-a’ en beide motieven worden verbonden met materiaal van het beginmotief van regel 1 (d’-fis’-g’-a’).
Regel 4 begint opnieuw met materiaal uit het motief waarmee regel 1 begint (d’-fis’-g’ klinkt nu een terts hoger: fis’-a’-b’) en regel 3 eindigt (het motief b’-b’-a’ klinkt nu een kwint lager: e’e’-d’), om daarna af te sluiten op de tonica d’.

Auteur: Pieter Endedijk


Media

Uitvoerenden: Ensemble Sonus Vita o.l.v. Anjo de Haan; Pieter Pilon, orgel (bron: KRO-NCRV)