Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

658 - Gods adem waait zijn woorden uit den hoge


Lied van Saul en David

Sytze de Vries
Jan Valkestijn

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 3’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Dit lied werd geschreven naar aanleiding van 2 Samuël 16,14-23, waar sprake is van dat de Heer koning Saul een kwade een boze geest stuurde die hem angst aanjaagt. Dan zoeken de dienaren van de koning iemand, die op de citer kan spelen met een genezend effect. Zo kwamen zij terecht bij de zoon van Isaï, David, ‘die uw schapen en geiten hoedt (16,19). Saul nam David als wapendrager in zijn dienst ‘en steeds wanneer de geest van God Saul overmande, nam David zijn lier en tokkelde op de snaren. Dat luchtte Saul op en het deed hem goed: de kwade geest liet hem dan voor even met rust (16,23).

De vijf strofen van dit lied omspelen deze hachelijke momenten, maar tegelijkertijd worden ze toegeschreven, toegedicht naar ‘ons verkild verlangen’ (strofe 2) en vertroosten zij ook óns in ‘de schemer van verdriet’ en de eenzaamheid (strofe 3). ‘David rijgt ze (de woorden van God namelijk) tot een nieuw gedicht’ voor Saul en ontwapent zodoende ‘alle harde handen’ (strofe 1 en 2); het lied geneest ook óns en ‘wist alle tranen af’ (strofe 4).

Het refrein is dan ook een oproep aan állen om vrede te zaaien en ‘een huis van licht’ te bouwen, om te bidden dat ‘hier en heden / God zijn wonderen verricht!’ Dat kan, omdat het lied genezend werkt en ‘een vergezicht van kleuren’ vertoont met als boventoon ‘de stad van goud’, het nieuwe Jeruzalem: een stad ‘van zuiver goud, helder als glas (Openbaring 21,18).


Melodie

Dit lied vindt zijn oorsprong in het NCRV-radioproject Lied van de week, waar het werd uitgezonden op 13 oktober 1987; nadat muziekredacteur Cor Brandenburg de tekst aan Jan Valkestijn medio juli had aangeboden inspireerde het hem de op 20 augustus tot het huidige ‘lied’. De componist gaf de navolgende toelichting op zijn werk: ‘Het lied bestaat uit twee delen: een strofe en een refrein. Zij zijn van duidelijk onderscheiden structuur. De strofe is in een quasi recitatieve stijl voor cantor of koor, het refrein in canonvorm voor de gemeente geschreven.

Het ‘waaien van Gods woorden’, de onbestendigheid hiervan, het niet precies weten vanwaar en waar naartoe (zie Prediker 11,5) wordt enigszins weergegeven door een melodische curve die verwant is aan de ietwat instabiele zevende psalmtoon met haar verminderde kwint. Het modale karakter, dat hierdoor wordt opgeroepen, moet ten koste van alles bewaard blijven, dus geen eigen ‘tonale harmonisatie’! (Zie: Eredienstvaardig, jaargang 8, afl. 3, blz. 149). De voorgeschreven orgelpartij is in eerste instantie bedoeld als een achtergrondkleur, welke deze modaliteit ondersteunt, minder als een echte begeleiding.

De strofemelodie vraagt om een ritmisch vrije voordracht, waarbij het woordritme bepalend is. De melismen, die woorden als ‘rijgen’ en ‘vlechten’ onderstrepen, vragen om een rustige, enigszins ingehouden voortgang.
De 5/4-maten zijn steeds te interpreteren als 3+2 en de 7/4-maat als 3+2+2. Het woord ‘wonderen’ in het refrein mag echter geen nevenaccent krijgen, dus niet ‘wónderén’ maar ‘wónderen’. Belangrijke woorden als: ‘sterren’, ‘hemel’, ‘licht’, ‘zing en bid’, zijn melodisch reeds ‘uitgetild’ en behoeven geen extra nadruk. Men vermijde hierbij elke vorm van valse pathos.
Een canon met een comes na één tel is niet eenvoudig. Het is een soort heterofone echo! De mannen geven uiteraard vrouwen en kinderen voorrang, maar moeten dan wel alert zijn op hun inzet.
Tenslotte: bij het begin van de tweede en volgende strofen neme men de eerste maat (akkoord) van de orgelpartij duidelijk in acht. Het vormt een hernemen van de rust, nodig voor de strofe na de climax van het refrein.


Media

Uitvoerenden: Barbaracantorij Culemborg o.l.v. Marijn Slappendel; Christiaan de Vries, orgel (strofen 1, 2, 3)