Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

665 - Om Christus' wil zijn wij verblijd


Een eerste kennismaking

Hemelvaartsdag is de veertigste paasdag en op deze dag gaat het niet om een mysterieuze verdwijning, maar om een verschijning in heerlijkheid. Deze dag is de dag van een kroning (vergelijk de eerste zin van het hemelvaartslied van Isaäc da Costa: ‘De dag der kroning is gekomen’, gezang 72 in ‘Hervormde Bunel van 1938’). In de derde strofe van Lied 665 wordt de betekenis van deze paasdag zo verwoord: ‘Hij die, ontheven hemelhoog, / te stralend voor een sterflijk oog, / aan de engelen verschenen is / in ’t licht van zijn verrijzenis...’ Ad den Besten schreef dit lied als een bewerking van 1 Timoteüs 3,16, een oude geloofsbelijdenis die nu in dit lied als een hymne klinkt. Het lied is niet alleen voor deze dag bestemd, maar zeer geschikt bij wijze van credo in een zondagmorgendienst.
De tekst heeft een fraaie structuur. De eerste regel van strofe 1 en strofe 5 zijn gelijk, en deze twee strofen omvatten de weg van Christus: van de menswording (strofe 1) tot de verheerlijking (strofe 5).
De woorden staan geschreven op de melodie bij de berijming van Psalm 100 van Cornelius Becker (1602), waarvan de definitieve versie in 1646 verscheen.

Auteur: Pieter Endedijk


Ad den Besten
Hannover 1646
Nun jauchzt dem Herren, alle Welt

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Dit lied is voor het eerst verschenen in het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 101). Vervolgens werd het ook opgenomen in Zingt Jubilate (alleen de editie van 1977, nr. 592) en in het Abdijboek (vanaf 1981, Varia 148b).
Het lied is niet opgenomen in de bundel Loflied voor tegenstem (Baarn 1965), waarin Ad den Besten zijn eerste liederen publiceerde. De tekst zal daarom geschreven zijn na 1965 in de jaren van voorbereiding van het Liedboek voor de kerken (1973).

Inhoud

Het Nieuwe Testament bevat diverse passages die een belijdend karakter dragen, zoals de bekende Christushymne in de brief aan de Filippenzen (2,5-11).
Ad den Besten werd bij het schrijven geraakt door een tekst uit de brief van Paulus aan Timoteüs (3,16) die een belijdend karakter draagt (Compendium bij het Liedboek voor de Kerken, k. 309): ‘Ongetwijfeld is dit het grote geheim van ons geloof: Hij is geopenbaard in een sterfelijk lichaam, in het gelijk gesteld door de Geest, is verschenen aan de engelen, verkondigd onder de volken, Hij vond geloof in de wereld, is opgenomen in majesteit’.
In de exegese is gaandeweg meer oog gekomen voor het hymnisch element van deze en andere teksten, zoals de hierboven al genoemde ‘Christushymne’ uit Filippenzen 2.
Dit lied kan beschouwd worden als een ‘zangoefening’, waarbij de zingende gemeente ontdekt dat we ons het geloof vooral te binnen moeten zingen, zoals Willem Barnard dat ooit zo mooi formuleerde.
De vroegchristelijke credo’s zoals deze in de brieven van Paulus te vinden zijn, moeten niet verstaan worden als eerste producten van de later zo heersende dogmatische traditie in de christenheid. We doen deze uitingen en inningen van geloof meer recht als we deze beschouwen als expressie van verwondering en dankbaarheid om alles wat we in Christus hebben ontvangen.
Het lied doet ons ontdekken dat geloven levend blijft door er telkens van en over te zingen. Geen dogmatische bezinning kan het stellen zonder dat daarin de toon van de lofzang te horen is.
De tekst uit 1 Timoteüs 3,16 (vertaling NBG-’51 die de dichter gebruikt zal hebben) is bijna letterlijk in de liedtekst terug te vinden:

Bijbeltekst Liedtekst
Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, 1.4: ... God in het vlees geopenbaard.
is gerechtvaardigd door de Geest,

2.1-2:

... die van de Geest ontving
voor altijd zijn rechtvaardiging ...
is verschenen aan de engelen 3.3: ... aan de engelen verschenen is ...
is verkondigd onder de heidenen,

4.1-2:

Hij is aanwezig in het woord,
dat wordt gepredikt en gehoord ...
geloofd in de wereld, 4.3 ... in heel de wereld en geloofd, ...
opgenomen in heerlijkheid. 5.2 ... die inging in Gods heerlijkheid ...


Strofe 1

Het lied kent een vreugdevolle inzet –  ‘Om Christus’ wil zijn wij verblijd’ – en volgt daarin de dankzeggende toon van de hymne in 1 Timoteüs 3,16. In de volgende regels wordt de grond van die vreugde beschreven: in Christus is God ons zo nabijgekomen als maar mogelijk is, in een mens van vlees en bloed. Met de woorden ‘een zoon die naar zijn vader aardt’ komt er een aangename lichtheid in deze strofe.

Strofe 2

Na de belijdende inzet van strofe 1 wordt in strofe 2 de gemeente nu direct aangesproken.
Er klinkt een oproep om Christus te loven. Hij is immers de mens die door de Geest is gerechtvaardigd, dat wil zeggen erkend als een rechtvaardige (tzadik). De incarnatie die is bezongen in strofe 1 krijgt in deze strofe een voortzetting. Het is de Geest die Christus doet herleven in ons, mensen van vlees en bloed. In en tussen mensen is Hij tegenwoordig, aanwezig. Bij deze strofe valt te denken aan wat Paulus opmerkt: ‘Ik zelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij’ (Galaten 2,20).

Strofe 3

Strofe 1 en 2 staan stil bij Christus op aarde, een mens die ons zo nabij is. In strofe 3 wordt Christus bezongen als degene die als Verrezene verhoogd is. De tweede regel ‘te stralend voor het sterflijk oog’ ‘ doet denken aan het verhaal van de transfiguratie (Matteus 17,1-13) en aan de ouverture van het boek Handelingen, waarin Jezus wordt ‘opgenomen in een wolk’ (Handelingen 1,9). Hem komt alle eer toe. Christus verschijnt, wordt zichtbaar voor de engelen, die op hun beurt verwijzen naar goddelijke nabijheid. De blik is van de aarde nu gericht op de hemel (‘hemelhoog’).

Strofe 4

De dichter keert terug naar de aarde, naar de horende gemeente. Wij mogen Christus niet alleen aanwezig weten in mensen (strofe 2), maar ook in het woord. Het woord kent drie gestalten: het wordt gepredikt, het komt naar ons toe; het wordt alom gehoord, het woord komt bij ons binnen; het gehoorde woord mondt als antwoord uit in de lofzang (‘geloofd’) en de lofzang is tegelijk voertuig van geloof. De dichter kan heel goed met de dubbele betekenis van ’geloofd’ gespeeld hebben als vervoeging van ‘loven’ en ‘geloven’. In elk geval wordt hier letterlijk 1 Timoteüs 3,16 (NBG-’51) geciteerd: ‘… geloofd in de wereld’. Het woord gaat niet uit naar een beperkte groep van ingewijden of uitverkorenen, nee, het woord is voor elk mens bestemd (‘hoofd voor hoofd’).

Strofe 5

De dichter pakt met een herhaling van de eerste zin van het lied de draad van de lofzang uit strofe 1 weer op. Waar hij in de eerste strofe vervolgens de blik op de aarde richtte, wordt onze aandacht hier verlegd naar Gods domein, Gods heerlijkheid. Christus wordt getekend als degene die vóór ons uit is gegaan en bij God is van aangezicht tot aangezicht. Hij is degene die wij eens zullen zijn, de Zoon (Romeinen 8,15). De Zoon is de inclusief bedoelde benaming van onze uiteindelijke bestemming, je kunt om elk misverstand te vermijden met de woorden uit Liedboek 675:2 zeggen: ‘Gods kinderen’ (zie 1 Johannes 3,2).

Liturgische bruikbaarheid

Het lied heeft in het Liedboek een plaats gekregen in de rubriek ‘Hemelvaart’. Is dat ingegeven door strofe 3? Het lied is zeker passend bij de viering van Hemelvaart, maar mag geen verborgen bestaan leiden, want alle thema’s van het credo komen aan de orde: incarnatie, verrijzenis, hemelvaart en Pinksteren. Het lied wordt dan ook niet voor niets in het ‘Register op liturgisch gebruik’ (vanaf blz. 1605) vermeld om als credo te zingen!

Auteur: Arie Broekhuis


Melodie

Deze toelichting bij de melodie is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de liedtekst is nieuw geschreven voor deze website.

Ad den Bestens lied heeft de melodie meegekregen van Nun jauchzt dem Herren, alle Welt, de 100ste psalm van Cornelius Becker (1561-1604), Evangelisches Gesangbuch 288. De definitieve notatie van dit lied komt voor in het Neu Ordentlich Gesangbuch van 1646, uitgegeven te Hannover door Justus Gesenius en David Denicke. De oorsprong van de melodie stamt echter van het voorreformatorische Puer nobis nascitur. Uiterst sierlijk stijgt de melodie vanaf haar grondtoon (d’) naar het octaaf (d”) om in de slotregel weer rust te vinden op de grondtoon (d’).
De 3/4-maatnotatie nodigt tot een statig meegaan in de pas van de zich herhalende kort-lang-motieven en geeft van het oorspronkelijke middeleeuwse danskarakter van deze melodie duidelijk blijk.

Auteur: Evert Westra