Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

672 - Kom laat ons deze dag


Kommt, Seelen, dieser Tag

Valentin Ernst Löscher
Jan Wit
Johann Sebastian Bach

Tekst

Ontstaan en vorm

Een lied van zeven coupletten met ieder acht regels, waarbij de even regels rijmen, de eerste keer vrouwelijk rijm, de tweede keer mannelijk rijm. Het rijmschema is A-b-C-b-D-E-F-E. De oorspronkelijke versie van dit gedicht heeft niet acht korte regels, maar vier alexandrijnen. Zo staat de tekst ook afgedrukt in Ministeriale, Geestelijke Liederen van Jan Wit uit 1966. Wit zegt zelf daarover: ‘Helaas heeft het Liedboek voor de kerken daartegen (het afdrukken in acht korte regels) ook gezondigd’ (Compendium, k. 588). Deze tekst van Jan Wit is een vertaling van een Duits lied van Valentin Ernst Löscher. In andere vertalingen en niet met alle coupletten is het lied opgenomen in S. van Woensel Kooy, Oude en Nieuwe Zangen (1911, nr. 11), Bundel van de Nederlandse Protestantenbond (1920, nr. 314) en in de ‘Hervormde bundel van 1938’ (gezang 83).

Inhoud

Het aantal coupletten is – naar ik vermoed – niet toevallig, maar verwijst naar de zevenvoudige gaven van de Geest. Het lied ademt deze Geest van het eerste tot het laatste couplet.

Strofe 1

Het lied valt met de deur in huis, of liever gezegd: breekt door in de bovenzaal (Handelingen 2). Hij spoort ons aan Gods grote daden (magnalia Dei) te gedenken. Immers, de uittocht uit Egypte (vaak genoemd als de ‘grote dingen’) en de uitverkiezing van Maria (die in het Magnificat ‘grote dingen’ bezingt) moeten hier en nu met enthousiasme klinken. De eerste regel roept de vraag op of het gaat om de dag die heilig vuur heeft of dat wij met heilig vuur moeten zingen. Het kan beide. Geef, dat wat eens met Pinksteren de leerlingen gebeurde, ook vandaag óns overkomt.
De tekst varieert tussen oproepen, gedenken en bidden. Het lied roept ons verschillende malen op te gedenken of te bidden; gedenken leidt tot bidden, in het bidden gedenken we Gods grote daden.

Strofe 2

Het tweede couplet bidt tot de Geest om de zegen van de Trooster, een van namen van de heilige Geest (Johannes 14,6.26; 15,26; 16,7). De Geest wordt ook aangesproken als levensbeginsel, als waterbron, bron van vruchtbaarheid en wel met een beeld uit Ezechiël 47. Uit de tempel, het huis van God, stroomt water, de stroom zwelt en wordt vruchtbaar voor heel de wereld.

Strofe 3

Het derde couplet reikt een ander bijbels beeld aan: de Geest maakt allen tot één lichaam. Wij zijn als ledematen van één lichaam verbonden met elkaar (1 Korintiërs 12). Vanuit de vaststelling dat wij uitverkoren zijn om leden van het lichaam van de Heer te worden, bidden wij om de gaven van de Geest. Het couplet draait hier de volgorde van Paulus om: hij begint in hoofdstuk 12 met het beschrijven van de gaven van de Geest en vergelijkt ons dan met één lichaam.

Strofe 4

Het vierde couplet is opnieuw een bede tot de Geest. Het is niet voldoende dat we ooit herboren zijn, we blijven dat liefdevuur nodig hebben. ‘Voeg hart en zin tezaam’ – ik versta hier ‘hart’ als de zetel van het gevoel en de ‘zin’ als beeld van het verstand. Het ‘hart’ is ook te verstaan als de zetel van de wijsheid en de ‘zin’ als een ander woord van lust. Het gaat er in ieder geval om dat we hele mensen worden. Als wij de maaltijd van de Heer vieren, worden we door woord en brood en wijn naar Christus’ beeld gevormd, door diezelfde Geest. Mogen we de tweede helft van dit couplet verstaan als de epiclese (bede) om de Geest die Christus levend in ons midden brengt?

Strofe 5

In het vijfde couplet verbindt deze tafel van de Heer de mensen die eraan deelnemen met elkaar. Dan klinkt er drie krachtige korte bedes: Deel Gij ons Christus’ bloed en Christus’ lichaam mede. Een merkwaardig zinnetje. ‘Meedelen’ heeft diverse betekenissen: ‘laten weten, laten horen’, maar ook ‘laten delen in’. Waarschijnlijk zijn beide betekenissen door de dichter bedoeld. De verbondenheid van de tafel van de Heer is kwetsbaar, we hebben de Geest nodig om de eenheid te bewaren en te bewaken. De tweede bede is de vraag om de satan die ons diabolisch uiteen wil drijven, af te weren. De derde bede is om de eenheid in Christus.

Strofe 6

Vandaar de bede in het zesde couplet om de Geest die aanvult wat we tekortkomen (Romeinen 8) en onze pogingen ondersteunt (1 Korintiërs 13,9). Een bede ook om zuivering door vuur en wind, vernietiging van alles wat ons afhoudt van echte vrede. Het wonder van Gods naam verwijst naar de letterlijke betekenis van de Godsnaam: ik zal bij je zijn. Het is het wonder dat God met ons wil zijn.

Strofe 7

Het laatste couplet begint met een – taalkundig gezien – merkwaardige constructie. In de eerste twee regels is ‘wie’ het lijdende voorwerp, in de derde regel is ‘wie’ het onderwerp, samen gaan ze op in de vijfde regel ‘die stemme met ons in’.
Allen die bezield zijn door de Geest worden uitgenodigd uit om Gods verbond te prijzen, het engagement dat God vandaag en steeds opnieuw met ons aangaat. Zo vieren wij het feest der eerstelingen mee, het feest waarbij de eerste vruchten van de oogst God worden aangeboden (Exodus 23, 16, Leviticus 23,15-16 en het boek Ruth). Van God is immers de schepping die Hij ons toevertrouwt. Alle vruchten die voortkomen uit de aarde zijn van God afkomstig en door die toewijding in het feest van de eerstelingen erkennen en vieren we dat. Pinksteren valt evenals het feest der eerstelingen 50 dagen na Pesach/Pasen. Met Pinksteren vieren we de eerstelingen van de oogst, namelijk de eerste mensen die gedoopt worden door de apostelen.

Liturgische bruikbaarheid

Dit is een pinksterlied bij uitstek en wanneer we couplet 4 en 5 zingen past het bij de viering van het avondmaal waarin de heilige Geest in de epiclese een belangrijke rol speelt.

Auteur: Andries Govaart


Melodie

De melodie van Liedboek 672 (BWV 479) behoort tot de bijdragen van Johann Sebastian Bach aan het Musicalisches Gesangbuch Darinnen 954 geistreiche, sowohl alte als neue Lieder und Arien mit wohlgesetzen Melodien , in Discant und Baß,… herausgegeben von Georg Christian Schemelli, Schloßcantore daselbst, Leipzig 1736, doorgaans afgekort als ‘het gezangboek van Schemelli’. In dit gezangboek is de melodie in de Anhang op bladzijde 638 genoteerd bij nr. 936: ‘Kommt, Seelen, dieser Tag muss heilig sein besungen’.

De melodie heeft de Barvorm en is in F-groot genoteerd, met een becijferde bas. In de meeste gezangboeken om praktische reden wordt deze een toon lager genoteerd, zodat bespiegelingen over de keuze van de toonsoort Es-groot die bij Bach vaak - zoals in Clavier Übung III - met de Drie-eenheid wordt verbonden, in dit geval niet zinvol zijn.
De Stollen van de melodie blijven in de hoofdtoonsoort. Verrassend is het begin van het Abgesang: in g-klein, de parallel van de subdominant, om vervolgens via de subdominant terug te keren naar de hoofdtoonsoort.

Het intervalquotiënt in deze aria-achtige melodie doet de vraag rijzen naar zijn geschiktheid voor de gemeentezang. Het is opmerkelijk dat Johannes Zahn in zijn bekende melodieënhandboek (nr. 5185) meldt dat deze melodie door een solist werd gezongen en dat de gemeenten tussen deze strofen het gezang ‘Komm, Gott Schöpfer, Heiliger Geist’ zongen. Zoals in negentiende-eeuwse literatuur vaak gebruikelijk is, geeft Zahn geen bronvermelding, zodat de mate van verspreiding van deze praktijk onbekend is. Wanneer we echter zoeken naar een bron in de culturele context van Leipzig, is het Dresdnische Gesangbuch van 1732 een voor de hand liggende optie. Daar heeft ‘Kommt, Seelen, dieser Tag’ (nr. 195) als melodie ‘Ein feste Burg ist unser Gott’. Inderdaad hebben de strofen van ‘Komm, Gott Schöpfer, Heiliger Geist’ hier een plaats tussen die van ‘Kommt, Seelen, dieser Tag’.

Bronnen en literatuur

Musicalisches Gesangbuch Darinnen 954 geistreiche, sowohl alte als neue Lieder und Arien mit wohlgesetzen Melodien , in Discant und Baß,… herausgegeben von Georg Christian Schemelli, Schloßcantore daselbst, Leipzig 1736. Klik hier (geraadpleegd 09-06-2020).
Das privilegierte Ordentliche und Vermehrte Dresnische Gesang-Buch, Dresden und Leipzig 1732. Klik hier (geraadpleegd 09-06-2020).
J. Zahn, Die Melodien der deutschen evangelischen Kirchenlieder III, Gütersloh 1890, Reprografischer Nachdruck Olms Hildesheim 1963.

Auteur: Jan R. Luth


Media

Uitvoerenden: Sweelinckcantorij o.l.v. Christiaan Winter; Wim Dijkstra, orgel (strofen 1, 3, 6) (bron: KRO-NCRV)