Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

676 - De wind, wij zien hem niet


Een eerste kennismaking

Het is opvallend dat in de laatste decennia een overvloed aan pinksterliederen is geschreven, maar kinderliederen voor Pinksteren zijn nauwelijks te vinden. De liedboekredactie vond een fraai Zweeds lied in de internationale bundel Colours of Grace (samengesteld in opdracht van de ‘Gemeinschaft Evangelischer Kirchen in Europa – Leuenberger Kirchengemeinschaft’, 2006). In dit lied wordt heel eenvoudig en zintuiglijk over Pinksteren gesproken. De Geest is (als) de wind: we zien hem niet, maar horen hem als een briesje, als een storm, als een stem in ons oor. Andries Govaart vertaalde deze bijzondere tekst van de Zweed Anders Frostenson (1906-2006). Een nieuwe melodie was wel noodzakelijk. Christiaan Winter zorgde daarvoor.
Een waardevolle liedtekst om eerst samen te lezen en dan te gaan zingen. Op de laatste lettergreep van elke strofe kunnen twee tonen tegelijk klinken!

Auteur: Pieter Endedijk


Vinden ser vi inte

Anders Frostenson
Andries Govaart
Christiaan Winter

Tekst

Een bespreking van de liedtekst volgt nog.


Melodie

Omdat Andries Govaart bij zijn vertaling is afgeweken van het oorspronkelijke metrum (6-5-6-5 trochäisch), was voor deze tekst een nieuwe melodie nodig. Christiaan Winter liet zich hierbij inspireren door de grondgedachte dat de wind waait waarheen hij wil ‘en wij weten niet vanwaar zij komt’. De melodie heeft geen duidelijke toonsoort, maar bestaat uit een tweetal pentatonische ladders die cirkelen rond rond een noot die in beide ladders niet voorkomt: de e’ aan het einde van regel 2, als een ‘centrum dat buiten de kaders valt’.

Wat de ladders betreft: de eerste twee regels volgen de ladder d’-f’-g’-bes’-c’, de derde en vierde regel volgen de ladder f’-g’-a’-c”-d”. (De e’ is zo dus met recht een verbindingsnoot tussen de twee ladders).
De opbouw van de melodie is, in tegenstelling tot wat het gebruik van de ladders doet vermoeden, juist heel helder en gestructureerd. Als het heen en weer geschud worden door de wind waaieren de noten van de eerste regel tussen de grondnoot g’ en de boventerts en -kwart. Dat herhaalt zich in de tweede regel een kwart lager, vanaf grondnoot d’. Het slot is dan die verrassende, laddervreemde e’.

Hetzelfde gebeurt nog een derde keer maar dan in de nieuwe ladder vanaf grondnoot a’. De vierde regel is een uitbreiding van de derde (en wordt liefst ook als zodanig gezongen, dus op 1 adem) en beweegt met een schrijdende beweging naar de lage c’, om vervolgens te eindigen in de samenklank d’-a’. Oorspronkelijk had de componist alleen de a’ in gedachten, die zijns inziens helpend was om weer de beginnoot van de volgende strofe te vinden. De liedboekredactie zou de d’ een meer natuurlijke slotnoot hebben gevonden, waarna deze samenklank als compromis uit de bus is gekomen. Ieder kiest vrijelijk naar gelang de wind waait.

Auteur: Cees-Willem van Vliet