Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

680 - Kom, heilige Geest, Gij vogel Gods


Ad den Besten
Genève 1551
Psalm 134

Tekst

Ontstaan en verspreiding

In de liedbundel 102 Gezangen (Den Haag, 1964), proefbundel voorafgaand aan het Liedboek voor de kerken, is het lied opgenomen als gezang 99 met als opschrift ‘Gebed om de Heilige Geest’ met als melodie ‘Komm, Goptt Schöpfer, heiliger Geist’ (Liedboek 670). In de ‘Aanwijzingen voor gebruik binnen het kader van het kerkelijk jaar’ krijgt het lied een plaats bij het pinksterfeest.
Het lied is verschenen in Loflied voor tegenstem. Een bundel liedteksten (Baarn 1965, blz. 16) en is daar ondergebracht in de rubriek ‘Vrije liederen’. Den Besten noteert als opschrift bij dit lied: ‘Een lied voor de zondag’.
Het lied is vervolgens opgenomen in Liedboek voor de kerken (1973, gezang 250. Het lied heeft tevens een plaats gekregen in Op toonhoogte (editie 2005, nr.117, editie 2015, nr. 139) en in Weerklank (2016, gezang 199). In al deze bundels is de tekst gecombineerd met de Geneefse melodie van psalm 134.

Inhoud

In het Compendium bij het Liedboek voor de kerken stelt Den Besten met enige nadruk dat het lied door hem niet bedoeld is als een bewerking van het aloude ‘Veni, Creator Spiritus’, al merkt hij op dat het lied in de pinkstertijd ‘goede diensten’ kan doen. Het lied is breder bedoeld, ja, voor alle samenkomen als gemeente op de zondag. In dat samenkomen is het de heilige Geest die onze geslotenheid openbreekt. Samenkomen als gemeente is voor Den Besten ‘de uitzichtloosheid van ons aan zichzelf overgelaten, voortdurend in zichzelf verdiept bestaan belijden’. Over de werking van de heilige Geest zegt hij: ‘Leven wordt alleen gewekt door de heilige Geest’ (Compendium, k. 599).

Strofe 1

De eerste strofe heeft het karakter van een bede. Aan het begin van de eerste drie regels wordt de heilige Geest aangeroepen: ‘Kom’, ‘daal neder’ en ‘verschijn’. Komen en neerdalen zijn werkwoorden die ruimte en afstand veronderstellen. Het is, aldus Den Besten, de heilige Geest die ‘de afstand tussen God en de mensen vermag te overbruggen’ (Compendium, k. 599).
‘Vogel Gods’ doet denken aan de Geest die als een duif neerdaalt bij de doop van Jezus in de Jordaan (Matteüs 3,16; Marcus 1,10; Lucas 3,22). In de derde regel is ‘Lichtengel’ een opvallende benaming van de heilige Geest. De heilige Geest is brenger van licht in wat Den Besten noemt ‘de nacht van onze geest’. Hier dus het contrast van licht en donker, de chaos, de afweer (‘trots’) van onze geest.
Den Besten zinspeelt in deze en de volgende twee strofen op Genesis 1,2.

Strofe 2

Deze strofe tekent het bestaan waarin de heilige Geest ontbreekt. In feite is het met ons leven in al zijn volheid van denken en doen niet anders gesteld dan in het bestel dat voorafging aan de schepping, zoals dat in Genesis 1 wordt geschilderd. Den Besten tekent die stand van zaken met de woorden ‘leeg en woest’, een omkering van het decennialang zo vertrouwde woordpaar ‘woest en ledig’ (NBG-vertaling 1951) en met ‘dood’, waarmee de Geest – in deze strofe zonder ‘heilige’ – als drager van leven een contrast vormt.

Strofe 3

Het leven buiten en zonder de Geest wordt hier verder uitgewerkt. De aanwezigheid van de Geest betekent dat er ‘licht’ en ‘leven’ is. De tweemaal voorkomende ‘vleugels’ verwijzen naar de Geest van wie geschreven is: ‘Gods geest zweefde over de wateren’ (Genesis 1,2) en naar ‘vogel Gods’ (strofe 1).
De herhaling van de constructie ‘geen … dan waar Gij’ heeft als effect dat ‘licht’ en ‘leven’ parallel lopen en daarmee op elkaar betrokken zijn.
De Geest maakt ons bewust van ‘een gemis’, van de situatie waarin we aan onszelf niet genoeg hebben, of beter juist daaruit weggehaald worden.

Strofe 4

De beschrijvende toon van de strofen 2 en 3 wordt verlaten. Er wordt een klemmend beroep gedaan op de heilige Geest: om te horen, te komen, aanwezig te zijn in het woord, om onze geest te wekken, ja onszelf tot leven te wekken.
Den Besten merkt op dat anders dan in de traditie van de kerk(muziek) de Bijbel geen passages kent waarin ‘tot de Heilige Geest wordt gebeden of geroepen’ (Compendium, k. 599).
Deze strofe brengt de Geest, een geheim, onzichtbaar immers, dichtbij. In het woord van God dat in de gestalte van het geschreven en gesproken woord tot ons komt, mogen wij de Geest aanwezig, present weten. En dat wij in het samenkomen als gemeente dat woord ‘horen’, en het tot ons laten doordringen is geen gevolg van onze inzet, maar vrucht van de werkzaamheid van de Geest: ‘wek onze geest, opdat hij hoort’. Wanneer wij horen, komen wij tot leven, reiken we tot het echte leven.

Strofe 5

De gebedstaal wordt in deze laatste strofe volgehouden. De heilige Geest wordt nadrukkelijk aangeroepen en dat gebeurt met grote vreugde.
In strofe 4 gaat het om het woord dat naar ons toe komt. Nu is er het antwoord van ons in de gestalte van het lied. Dat lied komt niet uit onszelf op, maar is ons geschonken door de heilige Geest. Den Besten spreekt van ‘voorwaarde’ (Compendium, k. 600).
Deze strofe kan ons brengen tot wat Den Besten noemt: ‘verwondering’, want van de heilige Geest geldt immers: ‘eeuwig ondoorgrond’. De Geest valt niet met ons verstand te begrijpen, en toch is de Geest wel degelijk aanwezig in het lied dat wij als vierende gemeente zondag aan zondag aanheffen. Zo bezien laat zich het opschrift ‘Lied voor de zondag’ in Loflied voor tegenstem goed verstaan.

Liturgische bruikbaarheid

Liedboek 680 staat in de rubriek Pinksteren, die een onderdeel vormt van Getijden van het jaar. Daarnaast is het mede vanwege strofe 4 en 5, die respectievelijk aandacht geven aan het woord en het lied, geschikt bij de aanvang van de dienst. De heilige Geest is immers in het woord en het lied de dragende grond. Niet zonder betekenis heeft Den Besten zijn lied het opschrift ‘Lied voor de zondag’ meegegeven.
Het lied kan bij wijze van gebed voorafgaand aan de lezingen gezongen worden.
Het leent zich tevens goed voor een lieddienst, een charmante liturgische vorm waarbij zoveel mogelijk onderdelen van de dienst gezongen worden.

Auteur: Arie Broekhuis


Melodie

Voor een toelichting bij de melodie: zie Liedboek 363.


Media

Uitvoerenden: Vocaal Ensemble Cantare o.l.v. Richard Vos; Hendrik Jan de Bie, orgel (bron: KRO-NCRV)

Video: Liedboek 680 door zangers van de Dorpskerk Eelde (strofen 1, 3, 5), Vindent van Laar, orgel