Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

697 - Kom Schepper, Geest


Een eerste kennismaking

De tekst van Sieds Prins, gemaakt naar een oud gebed van de Lakota-indianen (Minnesota, VS), is gericht tot Wakan Tanka, de grote Geest, De Geest wordt gedankt voor alles op aarde en voor de Schepping.


Sieds Prins naar een oud lied van de Lakota indianen
Tony Barr

Tekst

Ontstaan

Dit lied komt uit de Dominicuskerk van Amsterdam, waar Sieds Prins tot de vaste voorgangers behoort. Het is uitgegeven door het Dominicus Liedfonds en in 1999 op de cd Als wild gras gezet. Het lied werd ook opgenomen in Zangen van zoeken en zien (2015, nr. 502).

Vorm en opbouw

‘Kom Schepper, Geest’ is een tekst van vijf coupletten en een refrein. De tekst heeft geen rijmschema en kent een vrij ritme.
De coupletten beginnen steeds met het aanroepen van de Geest: ‘Kom’ (epiclese). De Geest, die ook de titel ‘Schepper’ krijgt, wordt aangesproken op bepaalde eigenschappen, bijvoorbeeld ‘die de dag verlicht’ (anamnese). Na deze herinnering klinkt de lof. De Geest wordt geprezen om bijvoorbeeld ‘het vuur in onze ziel’ (doxologie). We zien zo in de coupletten de structuur van het klassieke gebed.
Het refrein ademt een andere sfeer. Het is een acclamatie, een uitroep van vertrouwen op de Geest die met ons meegaat op de reis naar een open land. Met de Geest aan mijn zijde, die in ieder couplet erbij wordt geroepen, heb ik niets te vrezen. Er klinkt een echo mee van de bedevaartpsalm 121: ‘De Heer is je wachter, de Heer is de schaduw aan je rechterhand: overdag kan de zon je niet steken, bij nacht de maan je niet schaden’ (Psalm 121,5-6).

Inhoud

Strofe 1

Het eerste couplet zegt dat de Geest ‘de dag verlicht’. Dat kan verwijzen naar de Schepper die om te beginnen: ‘Licht’ heeft geroepen en iedere dag opnieuw licht brengt. Het is ook op te vatten als de Geest die de dag draaglijk maakt: het hart verwarmt. De Geest wordt eer gebracht om al die drijfveren van ons menselijke hart en ziel: vuur, passie, pijn, verlangen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen negatieve en positieve beweegredenen, het gaat om de hele mens.

Strofe 2

Het tweede couplet stelt tegenover ‘de nacht’ en ‘het schimmenuur’, het nieuw begin. Dat kun je zien in de prille morgen en in ‘de eerste stappen van een kind’. Als je zo kunt kijken, geeft dat troost.
‘Het schimmenuur’, het uur van de wolf, is het moment waarop de nacht in de ochtendschemer overgaat, het tijdstip waarop de grens tussen waan en werkelijkheid vervaagt en langzaam oplost: een moment van verwarring, waarop van alles mogelijk is. Die verwarring wordt door de Geest bedwongen.

Strofe 3

Het derde couplet spreekt de Geest aan als een lentebode: de winter is voorbij, mensen zijn weer bereikbaar, het smeltende ijs doet rivieren stromen en de zalm zwemt tegen de stroom van de rivier in op zoek naar een plaats om zich voort te planten. Heel de schepping haalt opnieuw adem.
De eerste drie coupletten betreffen steeds een (nieuw) begin: de schepping, het begin van iedere dag, de prilheid van de morgen, de eerste kinderstapjes, de lente, het begin van het jaar.

Strofe 4

In het vierde couplet doet de Geest een beroep op ons om te gaan en zelf een nieuw begin te maken. En wanneer we dan in beweging komen kunnen we niet anders dan de Geest te loven om de dieren in het veld en de vogels in de lucht, om de vrijheid die ons ruimte geeft om te leven.

Strofe 5

Het laatste couplet spreekt de Geest aan op de helende kracht. Ons bestaan is een gewond bestaan, maar er gebeurt iets nieuws: er vindt genezing plaats als we op weg gaan, als we de wind voelen, de trom horen, die ons lopen begeleidt, en de vrede ervaren die rust brengt.

Zoals gezegd hebben de coupletten een gebedsstructuur. In het refrein zingen we de Geest steeds meer nabij, door de acclamatie wordt het gebed óns gebed. De herhaling van het refrein na het laatste couplet, die weer uitloopt op de herhaling van de woorden ´want Jij bent nabij´ vormen het hoogtepunt.

Natuurlijk roepen de eerste woorden ook de klassieke pinksterhymne op: Veni Creator Spiritus (zie Liedboek 360). Wanneer we de teksten naast elkaar leggen, dan klinken inderdaad een aantal identieke noties: verwarmer van het hart, schenker van troost, licht, vuur, liefde, bron en vrede
In deze tekst wordt de Geest aangesproken als scheppende en herscheppende Geest. Het is de Geest van het begin.
Er klinken veel beelden uit de schepping mee: de prille morgen, een klein kind, de zalm die opspringt, de nachtegaal, de waaiende wind. Deze beelden roepen ook Psalm 104 op die begint met het licht, die spreekt over nacht en morgen, over de stromende rivieren, de dieren op het veld, de waaiende winden. Ook in Psalm 104,30 staat de scheppende en herscheppende adem (Geest) centraal.

Liturgische bruikbaarheid

Het lied vindt een plaats in de liturgie van Pinksteren. Het is ook een lied dat troost geeft en dat mensen oproept zich opnieuw aan het leven toe te vertrouwen en op weg te gaan. Het kan tevens klinken op het einde van een uitvaart.

Auteur: Andries Govaart


Melodie

Veni, Creator Spiritus, verkleed als Indiaan. De melodie van Tony Barr en het arrangement van Tom Löwenthal (*1954) gaan voort in het spoor dat Bernard Huijbers (1922-2003) inzette met zijn toonzetting van Psalm 122 (Gezangen voor Liturgie 122-II) en zijn ‘Kretenzische dans’ (Liturgische Gezangen 136): het lenen van muzikale structuren en klanken uit niet-westerse volksmuziek. Overigens is de Engelse componist en theoloog Tony Barr al sinds het midden van de jaren zeventig van de vorige eeuw geen onbekende in de Amsterdamse Dominicuskerk, de kerk waar dit lied in 1996 geboren werd. Hij werkte er eerst samen met Bernard Huijbers om het liedgoed van Huub Oosterhuis (*1933) ook toegankelijk te maken voor de angelsaksische wereld. Later waren er ook goede contacten met Huijbers’ opvolger Tom Löwenthal.

In dit lied wordt door toevoeging van een prominent aanwezige slagwerkpartij het klankbeeld opgeroepen van een dicht bij de elementen levende cultuur. De monotonie van de ritmische ondersteuning werkt als een soort ritmisch orgelpunt onder de schuivende akkoorden. Deze overheersende hartenklop van het stuk wordt in een later stadium verder ingevuld met de latent heersende grondtoon b. De bewuste ‘drammerigheid’ (one hundred beats per minute) van de begeleiding wordt door de vocale partijen verlevendigd. De zangstemmen, die zich grotendeels in achtsten voortbewegen, trekken zich weinig aan van lichte en zware maatdelen. Juist de syncoperingen geven aan het geheel een stuwende kracht. De melodie is – in de stijl van Huijbers – eenvoudig van opbouw, of beter eigenlijk: van afbouw. Zowel voorzangverzen als refrein hebben een dalende melodiek; de dalende intervallen in de pentatonische (vijftonige) reeks bepalen de melodische lijn: b-a-fis-e-d-b (zie * in de notenvoorbeelden). De driedeling in de voorzangverzen ziet er (in uitgeklede vorm) als volgt uit: b’-a’-fis’, b’-a’-fis’, e’-d’-b:

Het refrein is melodisch iets rijker. Toch blijft ook hier het melodisch materiaal beperkt tot dalende pentatoniek. De fis’ fungeert als reciteertoon waarnaar alle andere melodienoten zich richten. Eerst de b’, dan de a’, vervolgens de e’ en de d’. In de slotcadens verschuift de blikrichting naar de grondtoon b, waaromheen dan op soortgelijke wijze een ‘modaal centrumpje’ wordt gebouwd (‘want Jij bent nabij’):

Bovenstaande beschrijving zal wellicht de gedachte oproepen: is dat niet erg saai? De kracht van deze muziek is echter niet gelegen in de mooie melodische lijnen of de schitterende harmonische vondsten. Het is juist de robuuste kaalheid die deze muziek haar charme verleent. Zodoende wordt de meerstemmigheid in het laatste voorzangvers en de slotrefreinen ervaren als een geweldige toevoeging, terwijl het hier in feite slechts om een harmonische invulling door de zangstemmen gaat. Deze #litanie – per definitie een saaie vorm – heeft aldus een fraaie muzikale vertaalslag gekregen. Is er een vergelijking mogelijk met de ‘geestverruimende’ werking die uitgaat van house- of technomuziek? Laat dit dan de church-variant zijn!

Auteur: Christiaan Winter

Dit is een bewerking van de toelichting die eerder verscheen in Continuo, praktijkschrift voor liturgie en liturgische muziek, 16 (2002), nr. 3, 1813.


Media

Uitvoerenden: Marianne Westerveld, Johan Klein Nibbelink, Wim Ruessink e.a.