Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

699 - O pinksterdag


Klaas Eldering
Wim ter Burg

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 3’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Pinksteren is de vijftigste dag na Pasen en heet hier dan ook een ‘paasfeest in ’t goud’ (strofe 1).
De ‘wezenzondag’ (na Hemelvaartsdag) betuigt, dat God ons niet verlaten heeft (strofe 1) en dat Gods daden oecumenisch zijn, dat wil zeggen. de gehele bewoonde wereld aangaan. In strofe 1 wordt daarom vermeld, dat de Geest ‘zeventigvoud’ getuigt en zeventig is het getal van de volheid. Daarom zijn pinkstermensen ‘in alle staten’ (strofe 1) van blijdschap. Dat de pinkstergeest vurig is en krachtig als de wind, weten we uit Handelingen 2: in strofe 2 staan deze gegevens uitgebeeld als ‘hemelvuur’ en als ‘stormende kracht’, terwijl de Geest zelf in heel wat bijbelgedeelten gesymboliseerd wordt door de duif, en die vinden we in deze strofe ook terug.

In de geloofsbelijdenis van Nicea wordt Jezus ter sprake gebracht als ‘God van God, Licht van Licht’ en de heilige Geest als levendmakende kracht, ‘die van de Vader en de Zoon uitgaat’ en daarom verheerlijkt moet worden. Strofe 3 verwijst in alle regels naar dat credo en in strofe 4 herkennen we de parakleet, de Trooster als hulp en altijddurende bijstand.

Pinksteren is de vervulling van Pasen en daar gaat dit lied over. Aan het slot klinkt een vraag en dat maakt dat dit lied ons op onze verantwoordelijkheden wijst in het hier en nu. Zonder deze Geest is er nooit een nieuw begin, worden wij nooit herboren (strofe 4).


Melodie

Het was begin januari 1985 dat Cor Brandenburg, muziekredacteur van het NCRV-programma Lied van de Week een – ietwat provocerende – uitnodiging stuurde naar Wim ter Burg met het verzoek om een ‘sterke’ melodie te willen schrijven. Binnen enkele weken lag het muzikale antwoord in de bus: een stralende D-grote terts-melodie, een pinksterdag waardig. Wat we toen nog niet wisten, maar nu, dank zij dit informatiewerk wel, is dat Klaas Eldering de eerste regel had gedacht op de wijs van ‘Om Sions wil zwijg ik niet stil’ (Liedboek 176):

En zie: de eerste regel is qua melodie - de tweede en derde noot daargelaten - gelijk, inclusief de octaafspong...:

Zo waait de Geest kennelijk ook al in januari rond. De aandachtige luisteraar zal zeker de melodische Anspielung met Kommt, Seelen, dieser Tag (Liedboek 672) opmerken, waarvan Ter Burg zegt: ‘Zoiets resoneert kennelijk in je achterhoofd mee, want ik merkte het pas áchteraf!’

 Een bijgevoegde opmerking van Ter Burg ging over wisselende woordaccenten in de tekst, maar de melodie is destijds – op een kleine wijziging in de slotformule na – dankbaar geaccepteerd en uitgezonden. Nu, jaren later en enige liturgische toepassing van het lied achter de rug hebbend, mogen we de wens van de componist ‘’k Hoop dat het bruikbaar is’ wel als gehonoreerd beschouwen.

De eerste regel is dalend geschreven en verklankt daarmee het beeld in de tekst. De tweede helft van de eerste regel is bovendien syncopisch van ritme, om het ‘stormachtige’ van de Geest gestalte te geven. De tonica- en dominantnoot nemen een belangrijke, krachtige plaats in. In regel 2 vervolgt de melodie milder, stabiliseert; eerst de dominant omspelend, dan met een melisme – waar in strofe 2 de duif mee neerstrijkt –, eindigend op de terts van de toonsoort. De stijgende kwart van regel 3 (tweede vershelft) heeft een oproepend karakter: ‘zijn Geest getuigt’, ‘brand ons vooruit’, etcetera. De tweede helft van regel 3 aan regel 1 van een syncope voorzien en eindigt met de leidtoon cis”, waarna de slotregel vanuit de octaafnoot vervolgt en met een melisme neerdaalt op de finalis. Het laatste melisme is in verband met het rijmwoord analoog aan dat van regel 2, maar heeft – in samenhang met de melodierichting – een omgekeerde welving. Zo beslaat de omvang van de melodie een octaaf; de tactus is de halve noot.