Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

707 - Dragende, moederlijke God


Een eerste kennismaking

Dat God niet alleen in mannelijke en vaderlijke beelden kan worden bezongen, geeft dit lied aan. Dat is geen moderniteit, de woorden gaan terug op een mystieke tekst van Julian of Norwich, een kluizenares uit de veertiende eeuw. Naar aanleiding van deze tekst schreef de Amerikaanse doopsgezinde predikante Jean Janzen (*1933) dit lied. De liedboekredactie vroeg Liesbeth Goedbloed (*1981) om een nieuwe vertaling.
In het lied worden de drie personen van de Drie-eenheid in vrouwelijke beelden bezongen. Daarbij heeft de vertaalster de nodige vrijheid genomen om het compacte Engels in mooie Nederlandse woorden over te brengen en de personen van de Drie-eenheid op originele wijze aan te spreken met bijbelse beelden: levensadem (1), hemels brood en graan dat sterft (2) om te groeien en te bloeien (3).
Bij deze tekst waren in diverse buitenlandse bundels verschillende melodieën beschikbaar, maar geen van deze kon de redactie bekoren. Daarom werd gekozen voor een melodie van Joseph A. Coole (1861-1937), die qua karakter goed bij de tekst past.

Auteur: Pieter Endedijk


Mothering God, you gave me birth

Jean Janzen Julian of Norwich
Liesbeth Goedbloed
Joseph A. Cole
Tune: GROSMONT

Tekst

Ontstaan en verspreiding

In haar memoires (Entering the wild, 2012) beschrijft Jean Janzen onder de titel ‘Three Women and the Lost Coin: How Three Women Found Me’ hoe de doopsgezinde kerk in Amerika (Mennonite Church) bij het samenstellen van een nieuwe liedbundel zocht naar liederen die de vrouwelijke eigenschappen van God bezongen, maar die niet vond. Als dichter, vertrouwd met het kerklied, stuurde de commissie haar daarom een drietal sets met teksten van middeleeuwse vrouwelijke mystici met het verzoek om daar een drietal liederen bij te schrijven.

Een van de toegestuurde teksten betrof een bloemlezing uit het werk van Julian of Norwich (±1342-±1416). In een tijd van oorlogen, ziekte en pest, leefde deze Engelse mystica als kluizenares in een cel, verbonden aan de kathedraal van Norwich, aan welke zij haar naam heeft overgehouden. Op dertigjarige leeftijd werd zij getroffen door een ernstige ziekte waardoor ze ervan overtuigd was dat ze spoedig zou sterven. Op dat moment ontving zij een aantal intense visioenen van Christus die ze, als Short Text, vrijwel meteen opschreef en later, toen ze van haar ziekte genezen was, als Long Text nog eens herwerkte tot de Sixteen Revelations of Divine Love. Dit geschrift wordt beschouwd als het eerste door een vrouw geschreven werk in de Middelengelse taal.

Mooi is hoe Janzen beschrijft wat er in haar omging toen ze deze opdracht met de teksten ontving:

Wat zouden die teksten met mij van doen hebben, een vrouw van middelbare leeftijd in de jaren ‘90, aan het einde van een eeuw, toen mijn eigen kinderen al kinderen grootbrachten? Wat voor inzicht zouden ze kunnen bieden op het moment dat wij met onze militaire macht het Midden-Oosten binnenvielen in de operatie ‘Desert Storm’ en AIDS en honger enorme populaties bedreigden. Zouden wij echt kunnen denken aan God als een ‘moederlijke God’, als onze Geliefde die met ons danst, als een Genezer die boven, onder en door de wereld vliegt met ‘lichtende vleugels’? (…) Zouden we in de doopsgezinde kerk deze middeleeuwse, maar frisse, taal in ons liedboek toelaten? Zouden deze vrouwenstemmen ons meer kunnen openen voor het goddelijke?

Het lied ‘Mothering God’ verscheen uiteindelijk in 1992 in het toen nieuwe Hymnal – A Worship Book (Elgin, Illinois, 1992) en daarna in vele andere liedboeken. In Nederland verscheen het lied voor het eerst in 2008 in een vertaling van Maria de Groot, ‘Moeder God’, in Opstaan! Meer liederen uit Iona, Glasgow & de rest van de wereld. Op verzoek van de redactie maakte Liesbeth Goedbloed een nieuwe vertaling, die is opgenomen in het Liedboek.

Vorm en inhoud

De tekst van Janzen volgt drie fragmenten uit de Revelations, waarin Julian of Norwich de goddelijke Drie-eenheid beschrijft als ‘moeder’. De meest kernachtige zin komt uit het 59e hoofdstuk (14e visioen), in het Engels:

I understood three manners of beholding of Motherhood in God: the first is grounded in our Nature's making; the second is taking of our nature, — and there beginneth the Motherhood of Grace; the third is Motherhood of working, — and therein is a forthspreading by the same Grace, of length and breadth and height and of deepness without end. And all is one Love.

De Drie-eenheid toont dus als het ware drie aspecten van het moederschap: het tot leven wekken (our Nature’s making), het aannemen van onze natuurlijke staat (de incarnatie, taking of our nature), en het grootbrengen (working) en tot volwassenheid begeleiden, het werken van de Geest.

Het eerste aspect, dat van het tot leven wekken, wordt door Julian in hetzelfde hoofdstuk nader omschreven: ‘Christus die het goede doet, tégen het kwade, is ‘our Very Mother’: we danken ons bestaan aan Hem – het is de basis van het moederschap en al het zachte, liefdevolle vasthouden dat daar eindeloos op volgt’. Janzen verwerkt deze gedachte in de eerste strofe van haar tekst, waarbij ze beelden uit de natuur (regen, wind en zon) toevoegt als een eigen nadere duiding van Gods scheppende kracht, die tegelijk bron is en groeien doet:

Mothering God, you gave me birth
in the bright morning of this world.
Creator, source of ev’ry breath,
you are my rain, my wind, my sun.

Het tweede aspect, dat van het aannemen van onze natuur, is tweeledig. God is niet alleen mens geworden in Christus, maar – en dat noemt Julian ‘the beginning of Grace’ – wil dat telkens ook in ons. Dat gebeurt in het vieren van de eucharistie, waar wij worden gevoed met Christus’ leven, zijn lichaam, om zo steeds meer aan Hem gelijk te worden. Van een zeldzame schoonheid is de manier waarop Julian of Norwich deze diepe gedachten uitwerkt in moederlijke, mystieke beelden (hoofdstuk 60):

Een moeder geeft haar kind van haar melk, maar onze meest dierbare moeder, Jezus, voedt ons met zichzelf, en doet dat, in alle hoffelijkheid en tederheid, met het gezegende sacrament dat het kostbare voedsel voor mijn leven is; en met alle lieflijke sacramenten ondersteunt hij ons vol barmhartigheid en genade.

En even verderop:

Een moeder legt haar kind teder aan haar borst, maar onze tedere moeder Jezus brengt ons thuis ín zijn gezegende borst, via zijn lieflijke, doorstoken zijde, en toont daarin zijn deel aan de goddelijkheid en de vreugden van de hemel, met een geestelijke zekerheid en in eindeloze gelukzaligheid. Dit liet hij zien in het tiende visioen, toen hij zei: ‘Zie hoe lief ik je heb gehad; kijk naar de wond in mijn zijde, en verheug je.’

Janzen dicht er, met meer hedendaagse, aan de ingrediënten van brood en wijn refererende beelden, bij:

Mothering Christ, you took my form,
offering me your food of light,
grain of new life, and grape of love,
your very body for my peace.

Tot slot het derde aspect, het werken van de Geest. Daarover schrijft Julian in hetzelfde hoofdstuk als hierboven:

De zachtjes liefhebbende Moeder die de nood van haar kind begrijpt en kent, houdt het teder vast, zoals de aard en omstandigheid van het moederschap verlangen. En naarmate het kind ouder wordt, verandert haar werk, maar niet haar liefde. Ze lijdt als het kind moet worden geslagen om ondeugden een halt toe te roepen en dapperheid en genade aan te moedigen. Dit werk, met alles wat eerlijk en goed is, doet onze Heer in hen door wie het wordt gedaan. Aldus is Hij onze moeder: in zijn en onze natuur, en door het werken van de genade in de dingen beneden, uit liefde voor de dingen van boven. En hij wil dat we dít weten: dat we in alle liefde gehecht zijn aan Hem.

Janzen besluit er haar lied mee als een gebed om worteling in geloof en om groei en bloei ‘totdat ik zal kennen’:

Mothering Spirit, nurt’ring one,
in arms of patience hold me close,
so that in faith I root and grow
until I flow’r, until I know.

Opvallend aan de tekst van Janzen is dus de manier waarop zij Julians spreken over het moederschap van God aanvult met beelden uit de natuur: de groei van graan en druiven in regen, wind en zon. Zoals die worden tot het ‘voedsel van licht’, het lichaam van Christus, zo wordt God, als ‘mothering Spirit’, gevraagd ons geduldig in de armen te houden, opdat wij in geloof kunnen wortelen, groeien en bloeien.

Liesbeth Goedbloed werkte in haar vertaling deze eigen beeldspraak van Jean Janzen nog wat verder uit en spitste haar tekst nader toe op het motief van het graan. Wie de opeenvolgende werkwoorden per strofe apart neemt, ziet hoe het menselijke proces van groeien en bloeien tot stand komt:
- in strofe 1: dragen, baren en adem geven: Natures’ making;
- in strofe 2: geven, mens worden, voeden (en sterven): Gods taking of our nature;
-
in strofe 3: wakker kussen, groeien en bloeien: the Motherhood of working.

Het toegevoegde woord ‘zonnig’ in de derde strofe lijkt een treffend epitheton voor het koesterende, voedende aspect van de Geest, zoals Janzen dat in haar slotstrofe beschrijft. Het klinkt echter ook als een terugwijzing naar het ‘food of light’ uit Janzens tweede strofe. Met de door Goedbloed zelf ingebrachte zin ‘Kus mij nu wakker als het graan’ wordt Gods menswording in de eucharistie en het groeien en bloeien in geloof (‘the beginning and forthspreading of the same Grace’) als het ware ‘aan elkaar gebeden’. De vertaling staat hiermee weliswaar wat verder af van het beeldgebruik van Julian of Norwich, maar bouwt op een natuurlijke manier voort op wat Jean Janzen daar zelf al aan had toegevoegd.

Wat de vorm betreft, moet ten slotte nog worden opgemerkt dat Goedbloed in haar vertaling in iedere strofe tot een volwaardig rijmschema is gekomen (A-B-C-B), waar Janzen in haar tekst het rijm bewaart voor de laatste twee regels: grow / know, waardoor het slot van de tekst wat scherper wordt geaccentueerd ten opzichte van het voorafgaande.  


Melodie

Het lied ‘Mothering God’ verscheen in diverse bundels op verschillende melodieën. Zelf verkoos Jean Janzen een nieuw gemaakte melodie door Janet Peachy, die dezelfde titel meekreeg als de liedtekst, MOTHERING GOD. Het was er een van negen waaruit de redactie van het doopsgezinde liedboek destijds kon kiezen. De liedboekredactie koos echter voor nóg een andere, zelden gebruikte, Engelse melodie van de hand van Joseph Andrew Cole. Deze melodie heeft als titel GROSMONT, naar het geboortedorp van de componist in Wales, en werd in enkele oudere Engelse liedboeken gebruikt voor het lied ‘Brother, you on your heart did hear’, dat ironisch genoeg vol mannelijke beelden tot Christus zingt: ‘Our brother Man and sovereign Lord’ (strofe.3, de tekst is van Henry Arnold Thomas (1848-1924)).

Hoewel Joseph Cole, in tegenstelling tot zijn vader, die chorister was in Hereford Cathedral, de Engelse kathedrale traditie verruilde voor een organistschap in de Congregational Church, ademt zijn melodie een en al Engelse koortraditie. De melodie wordt vooral gekenmerkt door de herhaling van een klein motief dat in de opening van de eerste regel voorkomt als f’-as’-g’ (stijgende kleine terts, dalende kleine secunde). Dat komt vervolgens in dezelfde regel terug als bes’-des”-c”, en in de tweede regel in dalende variant: es”-c”-bes’, as’-f’-es’.
De eerste twee regels vormen tezamen een stijgende en weer dalende lijn die een heel octaaf omspant en zich harmonisch ontwikkelt van de grondtoon As (I) naar de dominant Es (V).
De wat onverwacht aandoende kop van de derde regel (drieklank f’-bes’-des”) bevat toch ook weer het basismotief: bes’-des”-c” en vindt een metgezel in de opening van de vierde regel: drieklank bes’-es”-g’, met gespiegeld basismotief: es”-g’-as” (de stijgende terts is een dalende sext geworden). De te overbruggen intervallen zijn groot, maar vinden een zekere logica in het raamwerk van de harmonie. De meerstemmige zetting geeft daar een tussendominant van bes-klein (II) via C en f-klein weer naar Es. De vierde regel eindigt via een bedrieglijk slot (bij ‘zon’ een f-klein-akkoord, is de zesde trap) in een klassieke slotcadens via een kwart-sext-akkoord en een dominant-septiem-akkoord (in de voorlaatste maat) in As-groot. Het is aan te raden het tempo van het lied niet te hoog te nemen, zodat de melodie zich als het ware kan voortbewegen op de voortgang van de harmonie.


Liturgische bruikbaarheid

Het lied staat in het Liedboek onder de rubriek Trinitatis, het feest van de heilige Drie-eenheid, dat een week na Pinksteren gevierd wordt. Op deze zondag biedt dit lied absoluut een tegenwicht tegen de klassieke, mannelijke duidingen van de Drie-eenheid. Daarbij past het mooi bij de traditionele schriftlezing van die dag (in het Lutherse Leesrooster en in het B- en het C-jaar van het Gemeenschappelijk Leesrooster): het gesprek van Nicodemus met Jezus in de nacht, waar de vraag is of een mens om opnieuw geboren te worden soms in de moederschoot moet terugkeren (Johannes 3,1-16).

Het lied is, door de beelden van het groeiende graan, echter ook een heel bruikbaar avondmaalslied geworden, met een eerbiedwaardige mystieke geschiedenis. In deze hoedanigheid hoeft het gebruik uiteraard niet beperkt te blijven tot de zondag van de Drie-eenheid, maar kan het lied op veel meer zondagen dienstdoen, bijvoorbeeld als de thematiek van de oogst het lectionarium vult.

Het kan ten slotte interessant zijn om, in leerhuis of geloofsgesprek, deze tekst te leggen naast soortgelijke liederen waarin de Drie-eenheid wordt bezongen met vrouwelijke/moederlijke beelden, zoals Liedboek 685 ‘Geest van God, zo vol van liefde’, of het meer op de Geest toegespitste Liedboek 691 ‘De Geest van God waait als de wind’. Veel inzichten komen in deze teksten op eenzelfde, maar net weer anders verwoorde wijze, terug.

Auteur: Cees-Willem van Vliet