Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

715 - Zoals de halmen buigen in de wind


Comme le vent incline les épis

Henri Capieu
Gert Landman
Jean-Jacques Werner

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Het lied ‘Comme le vent incline les épis’ werd geschreven door Henri Capieu in 1968. Het verscheen in de Franse protestantse liedbundel van 1979 Nos coeurs te chantent als lied nr. 250, in de afdeling ‘Unité et mission de l’Église’. De Nederlandse vertaling is van de hand van Gert Landman, werd in opdracht van de liedboekredactie geschreven en verscheen voor het eerst in Liedboek, Zingen en bidden in huis en kerk.

Vorm en inhoud

De liederen van Henri Capieu vertegenwoordigen de kerkliedvernieuwing in Frankrijk vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw. De teksten zijn geworteld in de psalmen en de liederen van Luther en hebben zowel een lyrisch als een reflectief karakter. De Franse hymnoloog Michel Leplay merkt daarbij op dat Capieu ‘een wandelaar is, bij wie de alternerende beweging van de voetstappen letterlijk een soort diep menselijke ademhaling in zijn gedichten binnenbrengt. Daar kan immers tegelijk de woede opwellen, de pijn kreunen of de vreugde juichen, deze twee zusters die onze geschiedenis bewonen en elk menselijk leven begeleiden: de pijn en de vreugde’ (Michel Leplay, ‘La poésie au service de la liturgie: Henri Capieu’, in Foi et Vivre, februari 2009, p. 76-86). De dialectiek tussen pijn en vreugde, maar ook tussen schrift, traditie en schepping (zoals in het werk van Karl Barth) vormt, op een eenvoudig beeldende wijze, ook de grondtoon van dit lied.

Analyse

Strofe 1

De vertaling van het vier strofen tellende lied door Gert Landman volgt de originele tekst op de voet. In de eerste regel van het lied verandert de vertaler wel het onderwerp van de zin van de wind naar de halmen. Waarschijnlijk werd hij door het metrum van de tekst daartoe gedwongen, maar de wijziging is niet geheel betekenisloos. Waar Capieu in de eerste strofe de wind beschrijft die de halmen buigt, zijn het bij Landman de halmen die door de wind worden gebogen. Zo buigen ook ‘wij ons samen door uw Geest’, maar bij Capieu is het de Geest die óns buigt naar God, ‘als één enkele smekeling’:

Comme le vent incline les épis.
D’un même souffle en même sens,
ainsi nous courbe ensemble ton Esprit
vers toi, Seigneur, comme un seul suppliant.

Strofe 2

Het neergebogen koren kan soms ook alle kanten opgeblazen worden, tot een wirwar van halmen, waar geen eenheid in te ontdekken lijkt. Maar Capieu spreekt van een ‘gezegende puinhoop’ (‘heureux désordre’), omdat de Geest als het ware de meest onverwachte mensen tegen elkaar aan blaast, een gedachte die in de Nederlandse vertaling mooi overeind is gebleven, maar ook meer persoonlijk betrokken wordt: ‘zo worden wij ook door elkaar geschud en richt uw Geest ons op een ander mens.’

Comme le vent emmêle les épis
chacun vers l’autre en tous les sens,
dans un heureux désordre ton esprit
nous lie à tous et à chacun des tiens.

Strofe 3

In de derde strofe bezingt Capieu de zeis, het maaigerei, als beeld van de verzamelaar van het koren dat tot levend brood wordt dat de honger van velen stillen zal. Tot die verzamelaar van de oogst wordt gebeden dat ook onze verschillende levens verzameld worden tot één enkele oogst. Hier spreekt ontegenzeggelijk de oude tekst uit de Didachè mee: ‘Zoals het graan verzameld is van heinde en ver en nu geworden tot dit brood dat wij breken: breng zo ook uw gemeente bijeen van alle einden der aarde’ (Liedboek 402b).

Comme la faux rassemble les épis
qui deviendront un pain vivant
pour apaiser la faim de tant de vies
fais de nos vies une seule moisson.

Strofe 4

Tot slot wordt het lied een gebed tot de ‘God van het koren, van de mensen en van de hemel’ dat diens Geest over ons mag waaien, dat de aarde onder de zon haar vruchten mag dragen en dat de wereld onder Gods bescherming vrede mag hebben. Bijzonder is het hier te zien hoe de vertaler de drieslag ‘koren, mensen en hemel’ en de drie gebeden in het Nederlands tot één gebed heeft weten vast te houden, uitmondend in het laatste woord ‘vrede’. Deze vrede lijkt wat uit de lucht te vallen, maar blijkt in dit lied het resultaat van het waaien, doen buigen en door elkaar schudden van de Geest. Dat maakt dit lied niet alleen tot een oogstlied, maar ook tot een pinksterlied, of, zoals het in de Franse liedbundel is geplaatst, een lied om de eenheid van de kerk én de wereld.

Signeur des blés, des hommes et des cieux,
que ton Esprit souffle sur nous.
Sous ton soleil la terre aura ses fruits,
sous ton regard, le monde aura sa paix.

Michel Leplay merkt bij de laatste strofe nog op dat er een sterke verwantschap is met een van de gedichten van Charles Peguy (1873-1914), de aanvankelijk socialistische Franse dichter, die zich tot het katholicisme bekeerde en uiteindelijk als gevolg van een wat overvloedige vaderlandsliefde als soldaat stierf in de Eerste Wereldoorlog. In een van de mystieke gedichten die hij tijdens zijn bekeringsproces schreef, draagt hij als pelgrim naar Chartres het omliggende land van die stad (de Beauce) op aan Maria, met de in Frankrijk blijkbaar beroemd geworden woorden:

Étoile de la mer, voici la lourde nappe
et la profonde houle et l’océan des blés
Et la mouvante écume de nos greniers comblés
,

(Sterre der zee, zie hier de zware vlakte
de diepe deining en de oceaan van koren
en het bewegende schuim van onze gevulde graanschuren…)

Leplay jubelt: ‘Tussen de Didachè en Peguy zijn Capieus woorden van een grote nuchterheid: ‘Zoals de wind de halmen buigt… Heer van het koren, van de mensen en van de hemel…’ Dat is simpelweg subliem.’

Vertaler Gert Landman denkt bij het beeld van het wuivende graan ten slotte nog aan Henri Capieu als wandelaar en noteert over dit lied: ‘een mijmerende gedachtegang van een wandelaar door het korenveld, een haast terloopse manier van bidden, in eenheid met de Schepper en de schepping. Leuke uitdaging om in die sfeer te komen en het – zelf wandelend - te vertalen, al lopend te gaan zingen en bidden in onze taal.’ (bron: email-bericht aan de compendiumredactie, 8 februari 2016)


Melodie

De melodie van Jean Jacques Werner volgt de tekst op een soepele en een vrije manier, vergelijkbaar met de melodieën van het Geneefse psalter. Ze zijn volledig syllabisch gezet, elke lettergreep heeft maar één noot. Door een automatisch zetproces is in het Liedboek een groepering van de achtste noten ontstaan die in Werners origineel niet voorkomt – hij gebruikt alleen maar losse achtste noten – maar waardoor de ritmische structuur voor de uitvoerder wel duidelijker wordt. De groeperingen zijn wel aanvechtbaar. In de laatste regel, waar in het Frans het tekstaccent bij ieder couplet verschillend is, zou voor de Nederlandse vertaling de groepering bijvoorbeeld beter zijn:
De orgelbegeleiding van Christiaan Winter maakt dan weer andere keuzes met betrekking tot de eerste noot van de tweede en vierde regel (nog duidelijk gegroepeerd bij de slotnoot van de regels ervoor). Welke keuzes ook worden gemaakt, de organist zal deze zodanig moeten volgen dat er altijd akkoordwissels op sterke lettergrepen staan. Voor de volledigheid geef ik hieronder nog de notatie van Werner zelf weer, met de Nederlandse tekst onder de noten. Let daarbij meteen op de notatiewijze van de voortekens:
Werner noteert in zijn melodie de voortekens steeds apart, behalve als ze elkaar direct opvolgen (de zogenaamde ‘neo-moderne’ notatiewijze). De zetter van het Liedboek heeft een meer conventionele manier van noteren gehanteerd door een drietal mollen bij de sleutel te zetten. Dat helpt in ieder geval bij het vaststellen van de toonsoort, in dit geval modaliteit. De finalis f’ en de beginnoot bes’ (dominant), wijzen, tezamen met de drie voortekens, op de hypo-mixolydische modus, waarmee Werner wederom nadrukkelijk aansluit bij het Geneefse psalter.

Fraai is om te zien hoe Werner met de eigenschappen van deze plagale toonladder omgaat. De eerste regel cirkelt rond de bes’, de dominant van de toonladder, waarbij zich, in stijgende richting, een drieklank f’-bes’-d” vormt (Bes-groot). De tweede regel kent tweemaal de daling van bes’ naar f’, het lijkt het buigen van de halmen uit te beelden. De derde regel beweegt zich rond de finalis f’. In de vierde regel vormt zich vanaf de langgerekte g’, die steeds een inhoudelijk belangrijk woord aanduidt, naar de basistoon van de ladder, de c’, nog een drieklank g’-es’-c’ (c-klein), in dalende richting, om weer te eindigen op de finalis f’. Door te kiezen voor deze plagale ladder, waarbij de finalis in het midden ligt, en door de melodie daar regel voor regel rond omheen te groeperen, levert Werner een even onopvallende als fraai gevonden illustratie van het heen en weer bewegen van de halmen in de wind, samengebonden door de één makende Geest: de finalis f’.

Uitvoering

Zoals al aangegeven in de omschrijving van de melodie is het metrum bij dit lied een bijzonder punt van aandacht. Bij het instuderen zal een keuze moeten worden gemaakt hoe de noten worden gegroepeerd. Welke keuze er ook wordt gemaakt, de g’ in de laatste regel (kwartnoot met punt) zal altijd extra aandacht behoeven, omdat deze vanuit het voorgaande waarschijnlijk als ‘ongewoon lang’ zal worden aangevoeld en dus te kort wil worden gezongen. Het is raadzaam om bij het instuderen de tekst eerst te spreken, op een rustige en duidelijke manier, om zo de accenten in het ritme goed op het spoor te komen. Het tempo wordt beslist niet te hoog genomen, de achtste noten zijn de basiseenheid, zoals de kwartnoten in de Geneefse psalmen, of de achtste noten in de melodieën van Bernard Huijbers.


Liturgische bruikbaarheid

Het lied is opgenomen onder de ‘oogstliederen’. In het register (blz. 1608) wordt het ook bij ‘Gerechtigheid’ genoemd. In de Franse liedbundel Nos coeurs te chantent, waarin het lied voor het eerst verscheen, staat het echter in de rubriek ‘Eenheid en missie van de kerk’. Buiten diensten in de oogsttijd of diensten waarin bijvoorbeeld fusies van plaatselijke kerkelijke gemeenschappen worden gevierd, krijgt het lied nog een andere dimensie als de richting van de vertaling wat verder wordt gevolgd. Gert Landman suggereert immers in het tweede couplet dat niet alleen de menselijke gemeenschap door elkaar kan worden geschud, maar dat dat ook met individuele levens gebeurt (‘zo worden wij ook door elkaar geschud’). In situaties waarin het persoonlijk leven door elkaar geschud en mensen op een onverhoedse manier aan elkaar worden toevertrouwd, kan dit lied wellicht een troostende of helende werking hebben, waarbij mogelijk de ‘oogst’ van het eigen leven al zingend en biddend kan worden (her)ontdekt.

Auteur: Cees-Willem van Vliet