Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

719 - Loof God voor de vruchten van boomgaard en land


Een eerste kennismaking


Praise God for the harvest of orchard and field

Brian A. Wren
David van den Bosch
Engels volksmelodie
STOWEY

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Het lied ‘Praise God for the harvest of orchard and field’ is geschreven in 1968 als een poging om een danklied voor de oogst te schrijven, dat niet blijft steken bij traditionele en soms wat romantische beelden van de oogst, maar ons bepaalt bij het globale karakter ervan en behalve bij de productie ook bij het proces van verpakking en distributie én bij andere vormen van goddelijke gaven, directe of indirecte, zoals industriële toepassingen, kennis, politiek, liefde en geduld. Het lied werd, met enkele aanpassingen, voor het eerst in een liedbundel opgenomen in 1974: het supplement Praise for today bij het liedboek van de baptistengemeenten in het Verenigd Koninkrijk.
Latere versies, ook steeds weer met enkele wijzigingen, verschenen in diverse liedbundels in het Engelse taalgebied, waaronder ook de bundels van de dichter Brian A. Wren zelf: Faith looking forward (1983), dat tegelijkertijd verscheen met het methodistische liedboek Hymns & Psalms en Piece Together Praise uit 1996. De in die laatste bundel opgenomen versie verscheen in het Schotse Church Hymnary 4 (2005, nr. 230), alwaar het de vindplaats was voor de vertaling die, in opdracht van de redactie, verscheen in het Liedboek.

Vorm en inhoud

Onder het motto ‘Alle dingen zijn uit God’ (1 Korintiërs 11,12b) handelt het lied, volgens Wren, over de ‘mensen die betrokken zijn bij de oogst (strofe 1 en 2), selecteert het de positieve aspecten van wetenschappelijk onderzoek (strofe 4) en accepteert het de mogelijkheid dat de heilige Geest Gods heilswerk kan volvoeren, ook in de conflicten van de geschiedenis (strofe 5)’. Op een welhaast onbekommerde manier dicht hij over de schepping in de breedste zin van het woord: niet alleen de bomen, de planten en hun vruchten, maar ook de grondstoffen en wat mensen daarvan maken, hoe ze onderling handel drijven, nieuwe oplossingen voor problemen bedenken, de wereld menselijker proberen te maken: het is allemaal scheppingswerk waar God voor moet worden gedankt.
Wren werkt zijn gedachten uit in een vijftal strofen.

In de eerste strofe wordt God geprezen om de vruchten van de aarde en om de mensen die ze tezamen – geduldig, vaardig en met hulp van machines – oogsten.

In de tweede strofe komt het wereldwijde karakter van onze voedselketen in beeld: de oogst die van ver komt, wordt verhandeld en vervoerd. De oogst gaat door de handen van mensen die we niet kennen, maar toch onze naasten zijn (Wren gebruikt het woord ‘neighbours’, de vertaler noemt ze ‘buren’).

De derde strofe bezingt een minder vaak bezongen aspect van de schepping: datgene wat ‘onder de aarde’ is: wat wordt opgegraven en gedolven, gesmolten, gesmeed of geraffineerd: olie en ijzer, koper en kolen. God wordt geprezen die het ons aangeboden heeft.

In de vierde strofe worden de gaven van wetenschap en ambacht bezongen: de drang om te ontdekken, te creëren, plannen te maken en uitvindingen te doen, die een betere toekomst en een humanere wereld beloven.

In de vijfde strofe gaat het ten slotte over de oogst van ‘mercy and love’ (genade en liefde), van leiders en gewone mensen die willen dienen met geduld en goedheid opdat er vrede en rechtvaardigheid is en iedereen op aarde gevoed kan worden.

Tijdgebonden

De manier waarop Wren heel nadrukkelijk het hedendaagse levensgevoel in zijn lied opneemt, brengt bijna als vanzelf discussies met zich mee en de noodzaak om de tekst steeds weer opnieuw bij de tijd te brengen. Zelfs nadat vertaler David van den Bosch zijn vertaling voor het Liedboek maakte, heeft Wren de tekst nog een keer veranderd, onder invloed van weer nieuw ontstane discussies. Ik som er hieronder enkele op.

Een van de eerste aanpassingen die Wren deed was al bij de publicatie in 1974. In Piece Together Praise (1996) schrijft hij tot zijn eigen ontzetting dat hij erop gewezen was dat het lied over mannen ging: ‘Pray God that man’s harvest by men may be shared’, luidde het in de eerste strofe. Wren zou later van inclusief taalgebruik een belangrijk deel van zijn levenswerk maken.

Uiteraard was er het nodige te doen over de derde strofe. De mijnbouw en delfstoffenindustrie bracht ons immers niet alleen vooruitgang, maar is ook synoniem met uitbuiting van de aarde en van menselijke werkkracht, iets wat in de jaren zestig van de vorige eeuw blijkbaar nog niet als zodanig werd beleefd. In 1983 schrapte hij de toen nog in de tekst bezongen kernenergie (‘giving us freedom to fashion the world’). In datzelfde jaar veranderde hij de tekst ‘Praise God for the harvest of alloy and ore, / by mining and drilling, on land and off-shore’ in ‘Praise God for the harvest that comes from the ground, / by drill or by mineshaft, by opencast mound’. Maar in 1996 werd het: ‘Praise God for the harvest that’s quarried and mined, / then sifted, and smelted, or shaped and refined’. Een verwijzing naar blik (‘tinplate’) werd veranderd in koper. Wren schreef daarover: ‘open mijnbouw (waarbij de delfstoffen aan de oppervlakte worden ontgonnen CWvV) is een destructieve graaimethode die lelijke littekens achterlaat’. De verandering van blik naar koper noemt hij, vanwege de ontstane alliteratie ‘copper and coal’, vooral van poëtische aard, maar koper is ook een van de oudste opgegraven metalen, dat al in de Bijbel wordt genoemd. Daar wordt van het beloofde land onder meer gezegd dat het een land zal zijn ‘waar u ijzer vindt in het gesteente en waar u koper delft uit de bergen’ (Deuteronomium 8,9).
In dezelfde versie werd ook het woord ‘farm’ (boerderij) in de eerste regel veranderd in ‘orchard’ (boomgaard). Het breidde volgens Wren het spectrum van de beschreven landbouw uit: ‘bij een boerderij is het veld al inbegrepen, terwijl boomgaarden voor een andere manier van telen staan’.

Tot slot is er ook in de laatste strofe het nodige veranderd, nog nadat de vertaling voor het Liedboek is gemaakt. In de versie van 1983 luidde die strofe:

Praise God for the harvest of conflict and love,
for leaders and people who struggle and serve
to conquer oppression, earth’s plenty increase,
and gather God’s harvest of justice and peace.

Wren had daar in 1996 van gemaakt:

Praise God for the harvest of mercy and love
from leaders and people who struggle and serve
for patience and kindness, that all may be led
to freedom and justice, and all may be fed.

Deze versie, die voor de vertaling in het Liedboek is gebruikt, werd echter ook weer bekritiseerd. Een gebruiker van het liedboek Singing the Faith (methodistisch liedboek, Verenigd Koninkrijk, uit 2011) vond dat we de ‘vrucht van het conflict’ niet konden ontkennen. Wren was het daarmee eens en veranderde de tekst nogmaals door terug te keren naar het origineel uit 1983, met één wijziging: ‘to conquer oppression’ (overwinnen) werd ‘banish oppression’ (uitbannen).

De vijfde strofe, in welke hoedanigheid dan ook, lijkt een samenvatting van de voorgaande te zijn. Ze herneemt wat in de eerste strofe al wordt gezegd: de vrucht van de oogst is door God gegeven, maar het leidt pas ergens toe als ze wordt verwerkt en gedeeld in een proces van samenwerking wereldwijd, door mensen die elkaar niet kennen, maar tezamen een betere wereld willen bereiken. Dat idee past goed bij de werkzaamheden die Wren in de jaren van het ontstaan van dit lied deed voor de Britse raad van kerken en andere organisaties die zich bezig hielden met armoedebestrijding en de bevordering van vrede en gerechtigheid.

Dankbaarheid en kritiek

Vertaler David van den Bosch merkt nog op dat het lied wat hem betreft gaat over dankbaarheid voor de mogelijkheden die wij mensen hebben gekregen om ons te voeden en te ontwikkelen; en biedt een kritische blik op de keuzes die wij hierin maken.
Ook zijn vertaalde versie van het lied kreeg meteen kritiek. Deze spitste zich toe op de tweede strofe, waar de wereldwijde voedseldistributie wordt bezongen: ‘van ver nemen schepen de oogst met zich mee’. De tekst zou het ´stelen van andere landen´ verbloemen. De vertaler zelf vond dat die kritiek de kritische noot die het lied al in zich droeg juist alleen maar versterkte: ‘wij mensen zijn maar radertjes in het grote geheel en zo gaan we ook met elkaar om. Is er iemand die het iets kan schelen wie onze banaan heeft verbouwd?’
Aan de vorm van het lied valt, zowel in het origineel als in de vertaling nog op dat de vijf strofen ieder met een identieke aanhef beginnen: ‘Praise God for the harvest’, in het Nederlands: ‘Loof God voor de vruchten’. Het lied staat in het metrum 11.11.11.11 (een – onregelmatige – anapestische tretameter). Het rijmschema, zowel in het Engels als in het Nederlands is AABB.


Melodie

Toelichting en analyse

Wren schreef de tekst aanvankelijk op de melodie MINIVER van Cyril Taylor, maar al spoedig (onder andere in Hymns for Today’s Church (2nd Edition, 1987) verscheen het op de melodie STOWEY. Cecil Sharp, die in het begin van de twintigste eeuw samen met Charles Marson duizenden Engelse volksliederen verzamelde, noteerde deze melodie uit de mond van een 85-jarige man, Mr. Dibble, uit Bridgwater, vlakbij Lower-Stowey. Het lied is onder de titel ‘Sweet Europe’ opgenomen in het tweede deel van Folk-Songs from Somerset (1905, tweede editie 1911, nr. 46). De eerste strofe luidde:
In 1931 duikt deze melodie op in Songs of Praise (nr. 377), als drager van de tekst ‘When a Knight Won His Spurs’ met lichte wijzigingen ten opzichte van bovenstaande versie en van een eenvoudige driestemmige harmonisatie in As-groot voorzien door Ralph Vaughan Williams. De versie van Vaughan Williams verscheen ook in latere Engelse liedbundels, waaronder Hymns Old & New (ed. 1996, nr. 543) en Common Ground (1998, nr. 102) en is ook in het Liedboek opgenomen, evenals de akkoorden die in de Common Ground op basis van Vaughan Williams’ zetting zijn toegevoegd om het lied daarmee op een gitaar te kunnen begeleiden.
Sharp vermeldt in de toelichting bij dit lied dat de tekst ervan weliswaar van Ierse afkomst lijkt, maar dat de melodie – ook al heeft die iets Iers of Schots – hem toch echt als Engels voorkomt. De Ierse of Schotse ‘flavour’ is voor hem gelegen in het ontbreken van de zevende toon in de ladder. Die opmerking uit de ontdekkerstijd van de volksliedcultuur bleek van algemene aard te zijn: zoals veel Ierse en Schotse, maar ook Engelse ‘folk tunes’ is deze melodie gebaseerd op een hexatonische ladder, die je zou kunnen zien als een stapeling van twee drieklanken die een grote secunde naast elkaar liggen: G-groot en a-klein (G-a-B-c-D-e-G). Lange tijd probeerde men zo’n volkstoonladder te benaderen als een lydische of mixolydische ladder, maar daarmee kom je niet uit. De meeste recente onderzoekers gaan er daarom vanuit dat de melodieën zijn ontstaan op de natuurtoonreeksen van herderstrompetten, wat het ‘gat’ van de zevende toon zou verklaren.
De melodische cel: b’-a’-g’ (trapsgewijs dalende terts), is de basis van de melodie. Het wordt in Vaughan Williams versie meteen herhaald (in gepunteerd ritme) door e’-d’-c’ en beantwoord met een stijgende kwint (d’-a’).In de tweede regel volgt de beantwoording met een stijgende kwart (d’-g’). In de derde regel komt het motief dan eenmaal stijgend voor (b’-c”-d”). De vierde regel is de letterlijke herhaling van de tweede, waardoor het vormschema van de melodie net iets afwijkt van het rijmschema van de tekst: AA’BA’ (of, naar alleen de slotnoten van de regels: ABCB).

Aspecten van de uitvoering

Hoewel de vierstemmige zetting in de koorbundels bij het Liedboek is gebaseerd op de driestemmige zetting van Vaughan Williams, noteert Vaughan Williams zelf: ‘Voices in unison’. Ook in Folk-Songs from Somerset staat de melodie eenstemmig genoteerd, voorzien van een pianobegeleiding. Een dergelijke, uitvoering, eventueel met behulp van de in het eenstemmige Liedboek overgenomen gitaarakkoorden, lijkt dus voor dit type volkslied passender dan een uitvoering met meerstemmig koor.
Wat het tempo betreft: Cecil Sharp noteerde uit de mond van Mr. Dribble een melodie in 3/4-maat, waar hij andante grazioso als tempoaanwijzing bijschreef. Vaughan Williams valt hem daarin bij: in moderate time. Een al te snelle uitvoering die bijvoorbeeld naar 3/8 neigt, zou dus vermeden moeten worden.


Liturgische bruikbaarheid

Het lied is logischerwijze opgenomen in de rubriek ‘Oogst’. De kerkelijk aangewezen plaats voor oogstdiensten is doorgaans de late herfsttijd. In speciale oogst- of dankdagdiensten zou dit lied een goede plek kunnen hebben. Gezien het – door de actualiteit – steeds weer discutabele karakter van de tekst, kan het lied ook een mooie opmaat vormen voor een gespreksavond over milieu-, klimaat- of globaliseringsvraagstukken.

Auteur: Cees-Willem van Vliet