Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

72 - Geef, Heer, de koning uwe rechten


Jan Willem Schulte Nordholt
Straatsburg 1545/Lyon 1547/Genève 1551

Tekst

De berijmingen uit het Geneefse Psalter worden niet afzonderlijk toegelicht.

Zie voor meer informatie het overzichtsartikel Het Geneefse Psalter.


Melodie

De melodie werd gecomponeerd door Louis Bourgeois (±1510-±1560). Zij verscheen voor het eerst in de bundel La forme des prieres et chants ecclesiastiques, die in 1545 te Straatsburg werd uitgegeven en vergezelde daar de berijming die Clément Marot (1496-1544) van Psalm 72 gemaakt had. In deze bundel was de melodie nog zonder rusten tussen de regels genoteerd. In Pseaulmes cinquante de David (Lyon 1547) stonden deze rusten evenmin, maar de lengte van de slotnoten van de regels waren nu wel in waarde verdubbeld. Een jaar later verscheen van deze bundel een heruitgave, waarin psalm 72 wel met rusten tussen de regels genoteerd was. De eerste bundel met het Geneefse psalter waarin de melodie verscheen, was Octante trois pseaumes uit 1551.
In de uitgave uit 1554 van laatstgenoemde bundel werd voor het eerst de berijming opgenomen die Théodore de Bèze maakte van Psalm 65: ‘O Dieu, la glore qui t’est due’. Daarbij stond geen melodie afgedrukt, maar enkel de mededeling: ‘sur le chant du Ps. 72: Tes jugemens…’, dus: ‘op de wijs van psalm 72’. In het volledige psalter uit 1562 was de berijming van Psalm 65 wel voorzien van een melodienotatie.

De melodie heeft de zogeheten middeleeuwse Bar-vorm, wat hier betekent dat de regels 1 en 2 herhaald worden in regels 3 en 4 (het zogenaamde Aufgesang), de regels 5 tot en met 8 vormen het Abgesang.
In wezen is de dorische melodie opgebouwd uit de zestoonreeks, die in de middeleeuwen hexachord durum genoemd werd. De omvang van deze reeks is in absolute nootnamen d’-b’ (in relatieve nootnamen: re-la) als de melodie met een kruis genoteerd wordt. Typerend voor de wijs zijn de momenten in de regels 1/3 en 6 waarop even de toon (c.q. de c”) boven deze zestoonreeks aangeraakt wordt (deze bijzondere noot heette destijds de fa super la). Deze noten geven de melodie een ietwat klagend karakter. Hetzelfde geldt voor de opening in de regels 1 en 3, waar de melodie op de roeptoon b’ opent en vervolgens ‘valt’ naar de finalis e’.
In het tweede deel (Abgesang) wordt onder meer voortgeborduurd op de toonherhaling uit de regels 1/3. Dat gebeurt in regel 5 tweemaal en in de regels 6 en 8 eenmaal. Bovendien beweegt de melodie zich hier hoofdzakelijk in secunden, terwijl in het Aufgesang de kwintsprong in de regels 1 en 3 karakteristiek is voor de melodie.

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: St. Joriskamerkoor Amersfoort o.l.v. Bas Ramselaar; Harry van Wijk, orgel (strofen 1, 2, 4) (bron: KRO-NCRV)