Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

723 - Waar God de Heer zijn schreden zet


Hervormingslied

Jan Wit
Straatsburg 1539/Genève 1542/1551
Psalm 36

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichtign bij de melodie is voor dit compendium nieuw geschreven. 

In de ‘Hervormde Bundel 1938’ kwam als gezang 260 een lied voor dat sterk gewijzigd overgenomen is uit de Vervolgbundel van de Evangelische Gezangen . In de ‘Hervormde Bundel 1938’ is het opgenomen in de rubriek ‘Bevestiging van lidmaten’, maar boven gezang 244 uit de Vervolgbundel staat ‘Kerkhervorming’. De tekst van dit lied is van William Robert Veder (1808-1882). Voor de melodie wordt verwezen naar Psalm 36 uit het Geneefse Psalter. De dichter heeft echter kennelijk Psalm 68, die dezelfde wijs heeft, op het oog gehad. Immers deze psalm, Que Dieu se montre seulement, was het strijdlied der Hugenoten in de Franse godsdienstoorlogen, dat menigmaal, tot zelfs in de Kleine-Cevennenoorlog van het begin van de achttiende eeuw, schrik en ontsteltenis teweeg heeft gebracht in de gelederen van de vijandelijke troepen.

Ondanks de wijzigingen door de commissie van 1938 kon het lied niet zoveel genade vinden in de ogen der Gezangencommissie en, zoals dat meestal ging als er van oud nieuw gemaakt moest worden, kreeg ondergetekende de opdracht een nieuw hervormingslied op dezelfde melodie te maken. Toen ontstond dit lied, dat in Ministeriale (Haarlem 1966, blz. 88) dan ook de titel ‘Hervormingslied’ meekreeg, evenals in de proefbundel 102 gezangen (nr. 90). Ik hoop dat het mij gelukt is de intenties van de zestiende eeuwse reformatie tot uitdrukking te brengen en toch enigszins meer in verzoenende geest een lied te maken dat zelfs door rooms-katholieken zou kunnen worden meegezongen. Mijn vriend pastor Naastepad heeft het inderdaad met zijn parochie gezongen.

De uitdrukkingen ‘van dwang gered’, ‘de ware troost’, ‘de valse schijn’, ‘alleen van zijn genade’ en ‘door geloof alleen’ spreken in verband met de hervorming en de hervormers voor zichzelf. Vooral de tweede strofe maakt echter duidelijk dat heroriëntering en hervorming een voortgaand en telkens opnieuw beginnend proces moeten zijn. De eerste drie regels van strofe 2 willen uitdrukken dat ondanks alle menselijke gedachtespinsels en alle menselijke machtsvertoon het woord Gods de geschiedenis pas waarlijk naar een doel stuwt. Regel 7 tot 9 verwijst naar de bevrijding uit Egypte die voor joden en christenen het model is en moet zijn voor alle bevrijdende handelen in de geschiedenis. ‘De wereldnacht’ uit regel 11 zou men op de hele geschiedenis tussen val en wederkomst kunnen laten slaan, maar ook, op de periode die inzette met de nacht van Getsemane, waarbij Pascal aantekent: Jésus sera en agonie jusqu’l’ la fin du monde et il ne faut pas dormir pendant ce temps-là. Persoonlijk heb ik ook gedacht aan Diogenes, die op klaarlichte dag met een lantaarn naar mensen zocht, en aan de tolle Mensch uit de Fröhliche Wissenschaft van Nietzsche, die bij volle dag met een lantaarn op de markt verscheen en uitriep: Ich suche Gott, ich suche Gott! Het merkwaardige is dat hij daarbij nu juist door de atheïsten werd uitgelachen.

Auteur: Jan Wit


Melodie

Ontstaan en verspreiding

Onder het lied staat als bronvermelding voor de melodie: ‘Straatsburg 1539/Genève 1542/1551’. Het eerste deel van deze vermelding verwijst naar Aulcuns Psaulmes et Cantiques mys en chant, het kerkboek dat in 1539 uitgegeven werd ten behoeve van de Franstalige gereformeerde gemeente te Straatsburg, en dat het begin vormde van een jarenlang traject naar het volledige Geneefs psalter uit 1562.

Nu kende Straatsburg ook een Duitstalige protestantse gemeente die een drietal kerkboeken had. In Das dritt theil Straßburger kirchen ampt uit 1525 stond een berijming van Psalm 119. De melodie was van de hand van Matthias Greiter (±1494-1550), die destijds samen met Wolfgang Dachstein (±1487-1553) cantor was in Straatsburg. In de uitgave van 1526 werd de melodie (in hoefnagelnotatie) als volgt afgedrukt:

Calvijn zal deze melodie hebben leren kennen toen hij in 1538 verbannen werd uit Genève en in Straatsburg terechtkwam. Hij was nog geen jaar in Straatsburg toen hij het genoemde kerkboek voor de Franstalige gemeente samenstelde. Daarin plaatste hij zijn berijming van Psalm 36 (En moy le secret pensement), die op de melodie van Greiter gezongen moest worden. Het begin van de psalm uit deze bundel:

 In 1542 werd deze psalmberijming inclusief melodie opgenomen in de Geneefse bundel La form des prieres et chantz ecclésiastiques. Daarbij werd een kleine wijziging opgenomen in regel 7: de laatste noot werd veranderd van een e’ in een a’ (vertaald naar de toonhoogte in het Liedboek).

Calvijns berijming van Psalm 36 werd vervangen werd door die van Clément Marot (1496-1544), gemaakt in 1543. Loys Bourgeois (±1510-±1560) publiceerde Marots berijming in zijn boek met vierstemmige psalmzettingen voor huiselijk gebruik: Pseaulmes cinquante, de David, roy et prophete (Lyon 1547).

Nu staat er bij de bronvermelding onder Liedboek 723 ook nog ‘Genève 1551’. Deze aanduiding verwijst naar Pseaumes octantetrois de David, mis en rime françoise (Genève 1551), waarvan Bourgeois de muziekredactie voerde. Hij bracht een melodische wijziging aan in regel 9, die oorspronkelijk als volgt begon: fis’-a’-b’-a’, maar gewijzigd werd in: fis’-g’-b’-a’. Dat is de definitieve versie zoals die de eeuwen door in het Geneefs psalter genoteerd stond.

Théodore de Bèze (1519-1605) maakte even later een berijming van Psalm 68 op de melodie van Psalm 36, zodat in de volledige versie van het Geneefs psalter uit 1562 de melodie voor twee psalmen gebruikt werd.

De van oorsprong Duitse melodie is de eeuwen door in Duitstalige gebieden bekend gebleven, niet zozeer via psalmberijmingen als die van Ambrosius Lobwasser (1515-1585), maar vooral doordat zij al vanaf het midden van de zestiende eeuw aan andere liedteksten gekoppeld werd. Het meest bekend werd O Mensch, bewein dein Sünde groß van Sebald Heyden (1499-1561), een passielied van 23 coupletten, waarvan momenteel nog een rudiment van twee strofen in het Evangelische Gesangbuch (1994, nr. 76) staat.

Nog voordat Petrus Datheen (±1531-1588) het Geneefse psalter in het Nederlands vertaalde, had Jan Utenhove (1516-1566) de melodie van Greiter al gebruikt voor zijn berijming van Psalm 50 en gepubliceerd in zijn 25. Psalmen end andere ghesanghen diemen in de Duydtsche Ghemeynte te Londen (Emden 1557). De melodie staat ook in Utenhoves Andere 26 Psalmen Dauides nieuwelick toeghemaeckt (Emden 1559) bij de berijming van Psalm 138.

De zeer vele contrafactteksten die de eeuwen door op de melodie van Psalm 36 gemaakt zijn, laten zien hoe bekend en geliefd de wijs was. Typerend hiervoor is ook dat de wijs in de Evangelische Gezangen (1806) bij negen liedteksten geplaatst werd, en in de ‘Hervormde Bundel’ uit 1938 bij zeven gezangen. In de gezangenbundel uit het Liedboek voor de kerken stond de melodie alleen nog bij het lied ‘Waar God de Heer zijn schreden zet’ van Jan Wit.

Analyse

Met haar twaalf regels behoort de melodie van Psalm 36 tot de langste van het Geneefse psalter. Alleen Psalm 19 heeft evenveel melodieregels, maar die zijn dan wel weer korter dan die van Psalm 36.

Ook de structuur van de melodie is uitzonderlijk voor het psalter: de eerste drie regels worden herhaald in de regels 4-6 (het Aufgesang van de Barvorm).

Wat opvalt is dat de lange melodie zich vrijwel uitsluitend in secundes beweegt. De eerste negen regels bevatten elk één tertssprong, en de regels 1 en 4 twee:Het is lange tijd gebruik geweest om de voorlaatste noten van de regels 1, 2, 4 en 5 te verhogen (gis’ in plaats van g’). Ten onrechte, want het betreft hier doorgangstonen die in de zestiende eeuw niet verhoogd werden.

Hoogtepunt – zowel letterlijk als figuurlijk – vormt regel 7 waarmee het Abgesang opent; niet alleen de hoge inzet op d”, maar ook de drievoudige toonherhaling aan het begin en de tweevoudige toonherhaling aan het einde van de regel maken de melodie daar robuuster dan de voorgaande zes regels die immers vooral in secundes voortkabbelden. Regel 7 wordt in regel 8 letterlijk herhaald. Het zijn de enige twee regels die zich geheel in het hogere toonbereik a’-d” afspelen (het zogeheten hexachordum naturale van de lydische modus):

In de eerste helft van de melodie (regels 1-6) hebben de regels een omvang van een kwint of een sext. Vanaf regel 7 hebben alle regels de omvang van een kwart. De laatste drie regels (10-12) zijn aan elkaar verwant: regel 10 wordt vier tonen hoger (in hexachordum naturale) herhaald in regel 11, en in de slotregel een toon lager. De tweevoudige toonherhaling die we aantroffen aan het einde van regel 7 en 8 keert terug aan het einde van regel 10 en 11:Wanneer we naar de melodische slotwendingen van de regels kijken, zijn de volgende regelparen te formeren: 1/2 + 4/5 (do-mi-fa-sol), 3/6 (mi-do-re-do), 7/8 (do-re-re-do) en 10/11 (fa-mi-mi-re). De regels 9 en 12 hebben elk hun eigen melodische afsluiting. Wanneer u het rijmschema van de tekst naast de melodie legt, zult u ontdekken dat deze twee elementen op elkaar aansluiten. De melodieregels ‘rijmen’ op elkaar zoals de tekstregels dat doen. In een overzicht:

regel    rijmschema   melodische slotformule

1          A                  do-mi-fa-sol
2          A                  do-mi-fa-sol
3          b                  mi-do-re-do
4          C                  do-mi-fa-sol
5          C                  do-mi-fa-sol
6          b                  mi-do-re-do
7          D                 do-re-re-do
8          D                 do-re-re-do
9          e                  sol-mi-fa-mi
10        F                  fa-mi-mi-re
11        F                  fa-mi-mi-re
12        e                  fa-mi-re-do

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Martinicantorij Sneek o.l.v. Gerben van der Veen; Dirk Donker, orgel (bron: KRO-NCRV)