Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

736 - Dat ons zorgen en werken


Peer Verhoeven
Willem Vogel

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 8’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is voor dit compendium nieuw geschreven.

Deze tekst werd geschreven voor vieringen rond 1 november (Allerheiligen) of bijvoorbeeld 4 mei.
Dan worden de doden herdacht; bekend of onbekend; zij moeten genoemd worden.
Maar ook onze eigen sterfelijkheid staat ons voor ogen, en, denkend aan de gestorvenen, bidden wij dat ons eigen leven niet vergeefs zal zijn; dat ons lijden zin heeft, dat onze vreugde en onze liefde gebouwd zijn op ‘Wie te kennen het leven is’. Ieder couplet eindigt met een soort refrein, waarin wij ons de doden te binnen brengen; dat zij, die ons zijn voorgegaan in het licht zijn en in vrede mogen rusten. ‘Dat zij mogen uitrusten van hun inspanningen, want hun daden vergezellen hen’ (Openbaring 14,13).


Melodie

Een late Vogel. Aan het einde van zijn werkzame leven (Vogel was tot 2002 organist van de Amsterdamse Oude Kerk) toonzette Willem Vogel diverse teksten van Peer Verhoeven. In de bundel Jij leve lang (Baarn 1996) zijn van deze samenwerking vruchten te vinden. In het Liedboek treffen we de combinatie Verhoeven-Vogel aan bij het hier besproken lied en Liedboek 926, een koorlied, waarvan de muziek enkel in de koorbundel bij het Liedboek te vinden is.

Liedboek 736 verscheen – voordat het werd opgenomen in het Liedboek – in 2004 in Zingend Geloven 8 (nr. 33). Dat het hier om een refreinlied gaat – hetgeen mogelijkheden biedt voor de wijze van uitvoeren – is in de opmaak van het Liedboek helaas niet meer te zien. De structuur van de melodie laat over dit refreinliedkarakter echter geen onduidelijkheid bestaan.

 Deze melodie is muzikaal te plaatsen aan het einde van Vogels loopbaan. Typerend daarvoor is dit lied meer weg van een recitatief dan van een hymne. De ingetogenheid van de tekst zal, in combinatie met het unieke metrum (7-4-8-8-9), de componist daartoe geïnspireerd hebben. Maar wellicht telt ook de leeftijd van de maker mee. Eenzelfde verschijnsel is aanwijsbaar bij kerkliedcomponisten als Bernard Huijbers en Floris van der Putt. Het weinige is voldoende.

Het recitatiefkarakter van de wijs wordt vooral bepaald door de noot bes’, die aan het begin van vrijwel elke regel – al dan niet met aanloopje – een belangrijke rol speelt. In de regels 1, 3 en 4 zet na die bes’ direct een dalende beweging in. Pas in de slotregel wordt deze noot ‘overtroefd’ door de lange c” op het aldus niet onder de korenmaat gestoken woord ‘licht’. Ook de slotwendingen van de regels 1, 3, 4 en 5 (b) vertonen grote overeenkomsten.

De eerste drie regels vormen een melodische eenheid in ABA-vorm. In de korte, tweede regel wordt het a-motief een kwart lager hernomen. Aan het einde van het eerste systeem van het notenvoorbeeld zou de melodie ook ten einde kunnen zijn. Er volgt echter nog een refrein, dat door de grotere melodische sprongen en de gepuncteerde halve noot iets nieuws toevoegt. Al snel volgen dan weer herkenningspunten uit de eerste drie regels. De kop van de slotregel (bes’-g’-bes’-c”) verwijst subtiel naar het korte tweede regeltje van de melodie. Ten slotte wordt motief b hernomen, vanaf de bes’ afspringend naar de ondertussen bekende wending f’-g’-es’. Door deze dalende kwartsprong kan er geen misverstand over bestaan dat de melodie hier definitief ten einde is.

Retorisch sterk is de halve rust aan het einde van regel 2: het is de muzikaal passende vertaling van het gedachtestreepje dat in de drie strofen op deze plek te vinden is. Daar tegenover staan de hele noten in het refrein. Anders dus dan de halve noot plus halve rust in het Geneefse Psalter duiden ze op een breed tempo, waarin de ademhaling slechts een klein gedeelte van de hele noot in beslag neemt en waarin geen energieke en puntige uitvoering verlangd wordt (zie bijvoorbeeld ook Liedboek 247 en 346). Ook de repeterende lange slotnoten op het woord ‘vrede’ drukken op eenvoudige wijze de betekenis van het woord uit, vergelijkbaar met al die miscomposities waarvan het Agnus Dei om dezelfde reden eindigt met een repeterende slotnoot op het woord pacem.

De ingetogenheid van de melodie wordt versterkt door de relatief lage ligging (tussen c’ en c”). De begeleidingszetting van Vogel munt vanwege de driestemmigheid en de rustige beweging in halve noten uit in eenvoud. De koorzetting van ondergetekende probeert in milde harmonieën eenzelfde rust op te roepen. Een bezadigd tempo van rond de 50 halve noten per minuut sluit aan bij de sfeer van dit lied.

Auteur: Christiaan Winter