Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

748 - Het duurt niet lang meer tot de tijd


Es ist gewisslich an der Zeit

Bartholomäus Ringwaldt
Jan Willem Schulte Nordholt
Wittenberg 1533

Tekst

Herkomst

Bartholomäus Ringwaldt publiceerde zijn lied ‘Es ist gewisslich an der Zeit’, waarvan Liedboek 748 een vertaling is, in het Handbüchlein: Geistliche Lieder und Gebetlein, Auff der Reiß, oder sonst in eigener not, und in sterbens leufften zugebrauchen, dat hij in 1586 te Frankfurt an der Oder liet drukken. Mogelijk was het lied toen al een paar decennia oud, want het lied stond in een bundeltje met twee liederen dat bij Friderich Guttknecht te Neurenberg gedrukt werd en dat halverwege de jaren vijftig gedrukt zou zijn.
Het lied voert terug op het Dies irae, maar niet in die zin dat Ringwaldt een bewerking van deze Latijnse sequentie maakte. Hij nam namelijk als uitgangspunt een Duitstalig lied dat gebaseerd was op delen uit het Dies irae. Dit lied verscheen in de jaren vijftig of zestig van de zestiende eeuw in een uitgave van twee liederen, die beide handelden over de wederkomst van Christus en het laatste oordeel. Het tweede lied, dat de titel ‘Von der zukunfft unsers HErrn Jhesu Christi’ droeg, nam Ringwaldt als basis voor zijn eigen creatie. In de eerste drie coupletten sloot hij vrij nauw aan bij het Duitse voorbeeld. Bij de overige vier strofen nam hij veel meer vrijheid.

Verspreiding

Het lied raakte in het lutherse Duitsland bekend en werd daar standaard in kerkliedbundels opgenomen. In Nederland namen lutheranen het lied op in hun liedbundels. Een vroeg voorbeeld is te vinden in de lutherse bundel De C.L. psalmen des conincklijcken propheten Davids (Utrecht 1625, folio 258). Latere voorbeelden zijn Het boek der psalmen neven christelyke gezangen (Amsterdam 1779, gezang 107) en de Christelijke gezangen der Hersteld-Evangelisch-Luthersche Gemeente in Nederland (Amsterdam 1857, gezang 285). Dirk Christiaan Meijer jr. publiceerde een nieuwe vertaling in zijn Lutherse Liederen (Amsterdam 1902, nr. 13), die overigens dichter bij de oorspronkelijke Duitse tekst bleef dan de voorgaande vertalingen.
Voor het Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk uit 1955 werd een nieuwe vertaling gemaakt (gezang 93), maar deze werd niet in het Liedboek voor de kerken opgenomen. Jan Willem Schulte Nordholt vertaalde het lied opnieuw en wist de oorspronkelijke Duitse tekst nauwkeurig te volgen. Zijn versie verscheen in de proefbundel 102 Gezangen (1964, gezang 41) en daarna in het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 279). Daarnaast kwam deze versie terecht in de eerste uitgave van Zingt Jubilate (1977 nr. 917), Laus Deo (2000, blz. 1104) en Weerklank (2016, gezang 218).
Vijf van de zeven coupletten van Schulte Nordholts vertaling kregen in 2013 een plek in het Liedboek; de redactie van deze liedbundel koos ervoor de oorspronkelijke strofen 4 en 6 te schrappen.

Inhoud

In 1586 luidde de titel boven het lied: ‘Ein Lied vom Jüngsten Tage, von Bartholomäus Ringwaldt gebessert’. Het ‘gebessert’ betekende dat in Ringwaldts bewerking niet zozeer angst en huiver voor Gods toorn en oordeel de boventoon voerden, zoals in het Dies irae en de Duitse versie die Ringwaldt als voorbeeld gebruikte. Dat aspect komt in Ringwaldts lied vooral nog tot uiting in het oorspronkelijke vierde couplet (niet in het Liedboek opgenomen):

Wee dan de mens die enkel heeft
het aardse goed verkoren,
niet bij des Heren woord geleefd,
de hemel heeft verloren.
Hij zal voorgoed terzijde staan,
met Satan mede moeten gaan
van Christus af, in ’t duister.

Ringwaldt benadrukt in zijn lied echter sterker dat gelovigen op de jongste dag mogen hopen op Christus’ verlossing (vergelijk het huidige vierde couplet ‘O Jezus, help mij dan ter tijd’) en voorspraak. Dit laatste, de middelaarsfunctie van de Heer, werd vooral verwoord in het oorspronkelijke zesde couplet dat in het Liedboek is komen te vervallen:

Sta daarom eenmaal in voor mij,
als Gij terug zult komen.
Lees in uw boek en spreek mij vrij
en stel mij bij uw vromen.
Opdat ik met mijn broeders mag
de hemel ingaan op die dag.
Gij doet hem voor ons open.

De eerste drie coupletten geven een beschrijving van wat er zal gebeuren wanneer de jongste dag aanbreekt. Je kunt dit het ‘objectieve’ deel van het lied noemen. Daarna volgt een soort subjectief gedeelte, waarin het lied overgaat in een individueel gebed om behoud en redding bij het laatste oordeel.

Het lied bevat vele referenties aan concrete bijbelpassages. Matteüs 25,31-46, waar gesproken wordt over het oordeel van de Zoon des mensen, klinkt in het hele lied op de achtergrond.
In de eerste strofe resoneren de woorden uit Lucas 6,25 (‘Wee jullie die nu lachen, want je zult treuren en huilen’) en Matteüs 24,30 (over de mensenzoon ‘bekleed met macht en luister’) mee. De slotregels ‘als alles zal in vuur vergaan / naar Petrus heeft geschreven’ verwijzen naar 2 Petrus 3,7: ‘Maar de tegenwoordige hemel en aarde worden door datzelfde woord bewaard om op de dag van het oordeel, waarop de goddelozen ten onder zullen gaan, te worden prijsgegeven aan het vuur’ (vergelijk ook 2 Petrus 3,10).
In het tweede couplet zijn de bijbelnoties verwerkt dat bij het klinken van de bazuinen de doden zullen verrijzen, terwijl de dan nog levenden door de Heer weggevoerd zullen worden (in Schulte Nordholts versie: ‘tot nieuwe mensen maken’). Naast Matteüs 24,31 en 1 Korintiërs 15,52 is dit couplet vooral gebaseerd op 1 Tessalonicenzen 4,16-17.
Naast andere schriftplaatsen verwoordt de derde strofe vooral Openbaring 20,12: ‘Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden.’
Het ‘boek’ wordt in strofe 4 opnieuw genoemd, waarbij de derde en vierde versregel refereren aan de notie uit Openbaring dat ook ‘mijn naam in het boek gevonden mag worden’ (vgl. Openbaring 13,8; 17,8; 20,15 en 21,27). In dit couplet is het lied overgegaan van een beschouwing in een gebed, waarbij de ik-persoon pleit op Jezus’ lijden als grond voor verlossing. Hier klinkt dus expliciet de reformatorische leer van de rechtvaardiging van de goddeloze door.
In de slotstrofe wordt gebeden om de komst van de jongste dag, die moet komen omdat wij op aarde bezocht worden ‘door duizend plagen’. Het slot van het lied refereert aan de roep uit Openbaring 22,20 (‘Kom, Heer Jezus!’) en de zesde bede uit het Onze Vader (‘…maar verlos ons van de boze’; Matteüs 6,13).

Strofevorm

Het lied kent strofen van zeven jambische verregels, bestaande uit 8-7-8-7-8-8-7 lettergrepen. Het rijmschema luidt: A-b-A-b-C-C-d.


Melodie

Herkomst

In Ringwaldts bundel uit 1586 stond geen melodie genoteerd. Wel prijkte boven het lied als wijsaanduiding: ‘Im Thon: Nun freut euch lieben Christen gemein’. Nu is deze verwijzing niet eenduidig omdat voor Luthers lied waarnaar verwezen wordt, meerdere melodieën in omloop waren: naast die van Liedboek 748 ook die van Liedboek 654. Verder zijn er bronnen bekend waarin bij het lied van Ringwaldt de wijs van ‘Es ist das Heil uns kommen her’ (Liedboek 966) opgegeven werd. Sinds de zeventiende eeuw gaat Ringwaldts lied uitsluitend vergezeld van de wijs die nu in Duitse en Nederlandse liedboeken staat.
De melodie treffen we aan in Luthers bundel Geistliche lieder auffs new gebessert, waarvan de eerste druk uit 1529 verloren is gegaan, maar van de uitgaven uit 1533 en 1535 zijn exemplaren bewaard gebleven. In de uitgave 1535 stond de melodie als volgt genoteerd:

 Omdat de naam van Martin Luther boven het lied staat, wordt wel eens verondersteld dat hij de melodie maakte. De wijs is echter ouder en afgeleid van het voorreformatorisch volkslied ‘Wach auf, meins Herzens Schöne, zart Allerliebste mein’, het wereldlijk liefdesliedjes dat Hans Sachs in 1525 vergeestelijkte: ‘Wach auf, mein Herzens Schöne, du Christenliche Schar’:

Waarschijnlijk is Luther wel degene geweest die de melodie zowel melodisch als ritmisch bewerkt heeft ten behoeve van zijn lied ‘Nun freut euch, lieben Christen gemein’ (zie Liedboek 654).

Analyse

De melodie staat in G-ionisch, een toentertijd nog vrij moderne toonsoort. Maar wanneer we de wijs nauwkeuriger bekijken, ontdekken we dat hij een oude volksliedwijs als basis heeft. De melodie is namelijk sterk pentatonisch, dat wil zeggen: op vijf tonen na is zij opgebouwd uit de tonen d-e-g-a-b.
Modern voor de eerste helft van de zestiende eeuw was ook het ritme. De sobere ritmiek is gebaseerd op het overwegend gebruik van kwartnoten en halve noten. Dat kennen we uit het Geneefse psalter, alleen neigt het ritme van dit lied sterk naar de isometriek, waarbij dus één nootwaarde (c.q. de kwartnoot) overheersend is.
De eerste en derde regel bewegen zich binnen de omvang van een terts (g’-b’), de tweede en vierde regel breiden de omvang uit tot een kwint (g’-d”). De regels 5 en 7 vergroten de omvang omlaag tot de dominant d’, waardoor de omvang van een octaaf bereikt wordt.

Auteur: Jan Smelik