Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

759 - Gods kinderen op aarde


Jan Willem Schulte Nordholt
Adriaan C. Schuurman

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Wie wel in Frankrijk gereisd heeft kent misschien de grootse reeks middeleeuwse tapijten die bewaard worden in de stad Angers. De hele Openbaring van Johannes is daar in kleurige krachtige verbeeldingen weer tot leven gewekt, als ik die uitdrukking zo mag gebruiken, in een merkwaardig mengsel van fantasie en realisme, want dit werk is ontstaan aan het einde van de veertiende eeuw, een overgangstijd waarover men meer kan lezen in Herfsttij der Middeleeuwen (1919) van Johan Huizinga (1872-1945). Het is hier niet de plaats daarop verder in te gaan. Maar er is in die reeks een tapijt te zien dat een uitbeelding is van de tekst in Openbaring 14,13, waar men leest: ‘Ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: ‘Schrijf op: ‘Gelukkig zijn zij die vanaf nu in verbondenheid met de Heer sterven.’’ En de Geest beaamt: ‘Zij mogen uitrusten van hun inspanningen, want hun daden vergezellen hen.’ Men ziet daar in twee bedden die omgekeerd naast elkaar staan, hoofd- bij voeteneinde, zeven mannen die zeer vredig liggen te slapen, terwijl boven hen hun zielen, kleine naakte baardeloze wezentjes, door engelen in een doek hemelwaarts worden gedragen. Het is het slapen van die mannen geweest, daar zo keurig op rijtjes onder de dekens, zo doodstil, zo eigenaardig vredig, dat mij geïnspireerd heeft tot mijn lied. De afgebeelde zielen heb ik daarbij vergeten, ik vind ze trouwens ook niet in de tekst, maar de gedachte van de stille slaap, die tegelijk een ontwaken is tot God, heeft mij bezield, vandaar dit lied, dat in de 102 gezangen voorkwam onder nr. 95.

Auteur: Jan Willem Schulte Nordholt


Melodie

Was de melodie in een regelmatige 2/2-maat gezet (de eerste noot van ‘aarde’ een halve, de slotnoot van regel 2 een halve met punt, etc. etc.) dan was ze zeker aan monotonie ten onder gegaan. Met deze afwisseling van vier en drie kwarten grijpen de regels twee aan twee hecht in elkander. Gedachtig aan de melodieleer van Prof. Smits van Waesberghe zou men kunnen zeggen dat in
- regel 1-2 een hoofdtertsenreeks g’-bes’-d” contrasteert met een nevenreeks d’-f’-a’
- regel 3-4 dito g’-bes’ met f’-a’-c”
- regel 5-6 dito f’-a’-c” met g’-bes’
- regel 7-8 dito g’-bes’ met d’-f’-a’.
Regels 1 en 3 corresponderen met elkaar, regels 2 en 6 eveneens, alsook, maar wat vrij, 3 en 7 en 4 en 8. Het hoogtepunt d” van regel 2 wordt bijna geëvenaard door de c” van regel 6. Of dit alles nu waar is of niet, de melodie is eigenlijk een stroom aus einem Guss. Moge ze zo beleefd worden.

Auteur: Adriaan C. Schuurman


Media

Uitvoerenden: Ad hoc ensemble o.l.v. Christiaan Winter; Wim Dijkstra, orgel (bron: KRO-NCRV)