Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

766 - Ik zag een nieuwe hemel zich verheffen


Willem Barnard
Adriaan C. Schuurman
D'Almachtige is mijn Herder en Geleide

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is nieuw geschreven voor dit compendium.

Dit is één van mijn eerste gezangen, geschreven omstreeks 1953, toen mijn vrienden van Het Landvolk (wij noemden ons zo in een bundel van die naam, in 1958 uitgegeven bij uitgeversmaatschappij Holland) en ik pas het ambacht aan het leren waren bij de psalmberijming. De Stichting Van Woensel Kooy verleende mij de opdracht, een aantal liederen te schrijven, en de tekst van het boek Openbaring werd daarbij leidraad. Zo ontstonden de ‘apocalyptische liederen’ naar de hymnische gedeelten van Openbaring 19, 20 en 21, in totaal vijf, die in Oude en Nieuwe Zangen verschenen (nrs. 88 t/m 92, 12e druk). In het lied over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde volgde ik de bijbeltekst van hoofdstuk 21, de eerste vijf verzen, maar breidde die tekst uit enerzijds en bekortte hem anderzijds. Het beeld van de vorstelijke bruid en de koning die komt om haar tot zijn vrouw te maken is in het lied allesbeheersend geworden en dat is natuurlijk meer interpretatie dan exegese.
Het lied stond ook in De Tale Kanaäns (1963, blz. 126) bij de zondag van de ‘kentering’, oftewel de laatste zondag vóór de Advent .

Auteur: Willem Barnard


Melodie

Achtergrond bij het ontstaan van de melodie

In opdracht van de Stichting Van Woensel Kooij schreef Willem Barnard een vijftal liederen bij het boek Openbaring voor de liederenbundel Oude en Nieuwe Zangen, twaalfde herziene druk (1954). Dit zijn Barnards eerste liedteksten buiten de psalmberijming, geschreven omstreeks 1953 (Compendium, k. 327). Deze apocalypsliederen werden door Adriaan C. Schuurman (1904-1998) van muziek voorzien.

De vijf liederen zijn:
- nr. 88: ‘Een stem, die niemand stuit’; in 102 gezangen (1964, nr. 17) is een melodisch en ritmisch aangepaste versie van de melodie uit Oude en Nieuwe Zangen opgenomen; ook deze melodie is gedateerd 1954; voor het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 111) schreef Schuurman weer een nieuwe melodie;
- nr. 89: ‘Als koning opgetreden’; vanaf 1962 (De adem van het jaar – paaskring, blz. 247) is aan deze tekst een melodie van Willem Retze Talsma verbonden, zie Liedboek 384;
- nr. 90: ‘Ik zag een grote witte troon’; in de uitgaven De adem van het jaar (1964 en 1975) is bij deze tekst een melodie van Willem Vogel te vinden, het lied komt in latere liedbundels niet voor;
- nr. 91: ‘Ik zag een nieuwe hemel zich verheffen, opgenomen in het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 114) en in het Liedboek (766);
- nr. 92: ‘Die op de troon zat, zeide’; ook bij deze tekst schreef Willem Vogel voor de uitgave De adem van het jaar (1964 en 1975) een melodie; in het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 115) staat bij deze tekst de melodie ‘Herzlich tut mich erfreuen’, Wittenberg 1545/1552.

De liederenbundel Oude en Nieuwe Zangen verscheen voor het eerst in 1911. Maria van Woensel Kooy (1875-1934) wilde met deze uitgave een kwalitatieve impuls geven aan het geestelijke lied in gezin en koor. In protestantse kringen werd de uitgave ‘de bundel Van Woensel Kooy’ genoemd. Deze liedbundel is van betekenis geweest voor de liturgische beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk. Van Woensel Kooij was tot haar dood lid van de commissie van samenstelling van de ‘Hervormde bundel van 1938’. Hoewel anderen het tegendeel beweren, relativeert de hymnoloog Jan Smelik de betekenis van de bundel voor het gezangboek van 1938 (Smelik 1997, blz. 130-131). In 1954 werd door de Stichting Van Woensel Kooij een twaalfde geheel herziene druk uitgegeven, waarin nieuwe en vertaalde liederen werden opgenomen, waaronder deze vijf van Barnard.
De muziek van Adriaan C. Schuurman toont de grote kwaliteiten van deze componist, maar tegelijkertijd moeten we constateren dat ze meer voor koor- dan voor gemeentezang geschikt zijn.
Dit geldt ook voor Schuurmans oorspronkelijke zetting bij ‘Ik zag een nieuwe hemel zich verheffen’:

In latere liedbundels waarin dit lied van Barnard voorkomt, wordt de tekst gecombineerd met de melodie die Adriaan C. Schuurman schreef bij Vondels bewerking van Psalm 23, ‘d’Almachtig’ is mijn Herder en Geleide’. De keuze voor deze melodie van Schuurman wordt voor het eerst gemaakt in 1964 voor de uitgave van het deeltje ‘Zomertijd’ van De adem van het jaar. Schuurman schreef deze melodie in 1937 in opdracht van de Nederlandse Hervormde Kerk. Bij de samenstelling van de ‘Hervormde bundel van 1938’ moest nog bij enkele liederen een melodie geschreven worden. Dat werd aan de toen nog jonge componist toevertrouwd. Bij Vondels tekst lag het anders. Er was een melodie van Julius Röntgen (1855-1932), een gerenommeerde componist van Duitse oorsprong, die vanaf 1877 in Nederland werkzaam was. Maar men was bij opname van zijn melodie bang voor te hoge auteursrechten en gaf liever vijfentwintig gulden uit voor een nieuwe zangwijs…

In het Liedboek voor de kerken werd bij Vondels tekst voor beide melodieën gekozen (gezang 13A met de melodie van Röntgen en gezang 13B met de melodie van Schuurman). Voor het Liedboek is bij Vondels tekst alleen de melodie van Röntgen opgenomen met een opmerking dat de tekst ook op de melodie van Schuurman gezongen kan worden (Liedboek 23a).

Analyse van de melodie

De melodie uit 1937 stond oorspronkelijk in cis-klein, een lievelingstoonsoort van Schuurman. De compositietechniek is nog duidelijk verbonden met de romantiek. De acht regels met een regelmatige bouw (11-6-11-6-11-6-11-6 lettergrepen) zijn onderverdeeld in vier regelparen, waarbij elke oneven regel zonder onderbreking aan de even regel is verbonden. Het eerste regelpaar staat in de d-klein en begint en eindigt op de dominant (a’). Het tweede regelpaar moduleert naar F-groot, de paralleltoonsoort van d-klein. In het derde regelpaar doet al op de tweede lettergreep (‘zag’) de gis’ zijn intrede, een voorbode van een modulatie naar a-klein. In het vierde regelpaar keert de melodie weer terug naar d-klein.
De vele melismen geven de melodie een breed en majestueus karakter. Het lied moet zeker niet te snel gezongen worden. De melodie staat geschreven in een 4/4-maat en niet in een 2/2-maat.

Auteur: Pieter Endedijk

Bronnen

Een compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken. Amsterdam 1977, k. 168-169 en 327.
Jan Smelik, Eén in lied en leven. Het stichtelijk lied bij de Nederlandse protestanten tussen 1866 en 1938. Den Haag 1997.


Media

Uitvoerenden: Ensemble Sonus Vita o.l.v. Anjo de Haan; Pieter Pilon, orgel (bron: KRO-NCRV)