Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

773 - Van grond en vuur zult Gij ons maken


Huub Oosterhuis
Antoine Oomen

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Het lied is voor het eerst verschenen in Breek de duisternis (Kampen 1981). Daarna werd het opgenomen in Liturgische Gezangen II (1985, nr. 43); de Petrus en Paulusbundel (1987, nr. 326); Gezangen voor Liturgie (editie 1996, nr. 639); Verzameld Liedboek (2004, blz. 910); Tussentijds (2005, nr. 192) en Zangen van zoeken en zien (2015, nr. 466).

Vorm en opbouw

De tekst van het lied kent de volgende opbouw: refrein – couplet – verkort refrein – couplet – verkort refrein – couplet – refrein. Deze structuur lijkt op de structuur van het responsorium, de korte beurtzang in het gezongen getijdengebed. De coupletten zijn metrisch gezien vrijwel gelijk en rijmen niet.

Inhoud

‘Grond’ en ‘vuur’ zijn twee oerelementen waaruit wij mensen gemaakt worden volgens veel (scheppings)verhalen. Grond is bouwstof, de aarde waaruit we voortkomen en waarnaar wij terugkeren. In het zogenaamde tweede scheppingsverhaal (Genesis 2,7) is God de boetseerder of de beeldhouwer die de mens vormt en die vervolgens de adem/geest in de mens blaast, dan pas wordt de grondstof een levende mens. Het vuur is ook een beeld van de Geest of van de goddelijke vonk die de mens in zich draagt. Het valt op dat hier de toekomende tijd wordt gebruikt: ‘zult Gij ons maken’. Blijkbaar betreft het onze voltooiing en niet onze status quo.

Het gaat hier dus om beelden van toekomst: ‘hoog op rotsen’, dicht bij de hemel, maar ook van verre zichtbaar. Uit die hoge rotsen slaat Mozes ook water (Exodus 17), levend water waar de boom zich aan laaft, wat weer verwijst naar de rechtvaardige van Psalm 1. ‘Van geur en smaak’ worden we; we zullen mensen worden met al onze zintuigen, mensen die zitten onder de vijgenboom en die genieten van de vruchten van de wijnstok (vergelijk 1 Koningen 4,25), helemaal mens. Maar ook mensen met goddelijke trekken, ‘van licht en stem’. Zo worden we sprekend Gods woord, sprekend Gods evenbeeld (Genesis 1,26-27).

Het eerste deel van de voorzang vult de belofte van het refrein in met woorden uit Jesaja: het volk dat in duisternis wandelt, zal eens een groot licht aanschouwen, de profetenlezing uit de kerstnacht (Jesaja 9,1-6). Mensen die eerst geen stem hadden of die verbijsterd waren door onrecht, die mensen komen te staan in een nieuw licht, ze worden zelf lichtdragers, de glorie van God doet hen lichten.

Het tweede deel van de voorzang reikt ons woorden aan die herkenning oproepen: je voelt je uiteengetrokken, verdeeld tussen diverse keuzen. Dat kan individueel zijn, je voelt je verscheurd en verlamd door keuzes en uitspraken. Het kan ook groter zijn: je weet je beklemd door een voortgaande onttakeling van de aarde, van een economische knechting van hele volkeren. En misschien is het meest tragische van onze tijd, dat woorden niet bevrijdend zijn, maar verhullend. Maar opnieuw klinkt een belofte: God kent ons en bevrijdt. God maakt ons heel.

Het derde deel van de voorzang roept met beelden uit de Openbaring van Johannes (‘de dag van het Lam’; ‘Ik kom haastig’; 22,7.12.20) en uit Psalm 122,5 (‘de stoel van het recht’) de eindtijd op. De belofte van onze voltooiing klinkt: er komt een dag dat definitief recht wordt gesproken, dat de armen aan hun trekken komen en dat de lijdende mens overwint.

Kortom: de tekst spreekt de oeroude en springlevende belofte uit dat God ons zal voltooien tot die schepselen zoals wij in beginsel bedoeld zijn: Gods evenbeeld. Schepping en herschepping vallen samen.

Liturgisch gebruik

Wanneer kunnen we deze belofte uitzingen? Gezien de structuur van de tekst is het lied denkbaar als antwoordzang na de eerste lezing, bijvoorbeeld bij profetenlezingen waarin Gods belofte van heilzaam leven wordt verwoord. Het is ook een lied dat een plaats kan krijgen in de adventstijd of in de voleindingstijd, de laatste zondagen van het liturgisch jaar. Als slotlied van een viering opent het het perspectief op onze toekomst.

Auteur: Andries Govaart


Melodie

De basis voor de melodieën van Antoine Oomen wordt doorgaans gevormd door de harmonie. De akkoorden vormen als het ware het frame waarin de melodie gevat is.

De melodie van ‘Van grond en vuur zult Gij ons maken’ laat zich in tweeën onderverdelen: het refrein in een korte en een lange vorm, en de strofen. De totale structuur van het lied, waarbij de lange refreinen zich aan het begin en het einde bevinden, is een vorm die zijn wortels heeft in het aloude ’responsorium breve’ uit de completen, een structuur die we in het Liedboek ook tegenkomen bij Psalm 118a van Bernard Huijbers.

Het refrein is een soort ‘mini Barvorm’. De openingsregel wordt herhaald (Stollen), dan volgt een korte doorwerking (Abgesang) – in dit geval in drie op elkaar gelijkende motiefjes. Nu had Oomen te maken met een tekst met een ongelijk metrum in de eerste twee regels. Op een slimme manier, door gebruik te maken van syncopen, heeft Oomen deze moeilijkheid gepareerd. Dat is mooi gevonden op de tekst ‘hoog op rotsen’: in hoge ligging en in hoekig, rotsachtig ritme. De schematische weergave van het refrein is als volgt: A-A’-B-B’. Het karakter van de wijs houdt het midden tussen recitatief en hymne. De reciteertoon c” neemt namelijk een zeer belangrijke plaats in boven de grondtoon f’.

De zeer harmonisch gerichte melodie en de dwingende ritmiek doen echter elke vergelijking met een recitatief op slag verdwijnen. De melodie is gebouwd op akkoorden die ‘dicht bij huis’ blijven: een voortdurende afwisseling tussen tonica en dominant, tussen de akkoorden F-groot en het C-groot met een snelle volledige cadens op het woord ‘evenbeeld’. Voordeel van deze harmoniegerichte melodiek is dat al snel duidelijk is waar de melodie naartoe zal gaan; de rivier volgt ongehinderd de loop van de bedding.

De melodische structuur van de strofen (eenstemmig gezongen door koor of cantor) laat zich pas na enige studie prijsgeven, maar er zit beslist een zekere logica in. Het openingsmotief (f’-f’-a’) is nieuw:


en wordt gevolgd door de slotwending van het refrein:

en:

Ook in de coupletten speelt de harmonische structuur een belangrijke rol. De eerste regel voltrekt zich in d-klein, de parallelle mineurtoonsoort van het refrein. Regel 2 moduleert naar g-klein. In de derde regel is een tussendominant (G-groot) naar toonsoort C-groot, die in de laatste coupletregel bevestigd wordt als dominant voor het F-majeur van het refrein. In die laatste coupletregel maakt Oomen gebruik van een zeer klassieke, renaissancistische aanpak: hij voegt een zogenaamde hemiool in. De laatste twee maten vóór de slotnoot worden harmonisch verdeeld in 3x2 kwartnoten, hetgeen een ‘remmend’ effect veroorzaakt onder de melodie die gewoon de driekwartsmaat volgt; een soort ingebouwd ritenuto. Zie de baspartij van de begeleiding:

De aanvankelijke begeleiding bij dit lied is gemaakt voor uitvoering op piano. Deze tamelijk virtuoze begeleiding beweegt zich in triolen, hetgeen betekent dat in dit tempo acht noten per seconde moeten worden gespeeld. Dit vraagt wel enige vingervlugheid. Deze pianobegeleiding is vanwege technische ontoegankelijkheid voor de doelgroep niet in de begeleidingsbundel opgenomen. Wel maakte de componist een orgelbewerking in kwartenbeweging. De componist vraagt een tempo van 160 kwartnoten per minuut. Ook dat is vrij snel, namelijk is iets meer dan een seconde per maat. Terecht verbindt hij dus het karakter ‘con anima’ (met bezieling, ‘begeesterd’) aan dit tempo.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: koor van de Amsterdamse Studentenekklesia en/of koor voor Nieuwe religieuze muziek