Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

778 - O Here God, - ons liefst verlangen


Ad den Besten
Johanna Wagenaar
Wil onze kindren, Heer, bewaren

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Te midden van de doopliederen in onze bundel (bedoeld is hier het Liedboek voor de kerken; in het Liedboek is dit lied opgenomen bij ‘Geboorte’, red.) neemt dit lied een wat aparte plaats in. Niet alleen dat de hele doopproblematiek, zoals we die vinden bij de apostel Paulus en in het klassieke doopformulier van het Nederlandse gereformeerd protestantisme erin ontbreekt, maar de vraag is zelfs, of er wel van een ‘dooplied’ in strikte zin kan worden gesproken. Ik heb het lied dan ook gedicht op speciaal verzoek van de Remonstrantse vertegenwoordiger in de aanvankelijk Hervormde Gezangencommissie. Het is geschreven met het oog op hen, die de kinderdoop voorbarig achten, maar die wel gaarne met hun pasgeboren kind naar de kerk willen komen om het ‘aan God op te dragen’. Hetgeen natuurlijk niet uitsluit, dat het lied ook in een specifieke doopdienst zou kunnen functioneren. Het lied heeft een duidelijke thematiek: wij zijn geroepen om ‘kinderen van het licht’ te zijn, maar staan bloot aan de kwade kans ‘kinderen der duisternis’ te worden. Die kwade kans is zelfs voor het jonge kind al gegeven, en wel in hen die zijn ouders zijn. Dit stond met grote duidelijkheid in de oorspronkelijke derde strofe, zoals die nog stond in Loflied voor tegenstem (Baarn 1965, blz. 20):

Laat het niet over aan de luimen
van ons, aan wie Gij ‘t overlaat,
aan onze zorgen en verzuimen,
onze verborgen eigenbaat.

Deze strofe heeft uiteindelijk geen genade kunnen vinden. Persoonlijk vind ik het echter nog altijd een verarming, dat zij werd weggelaten, kennelijk omdat men meende, ouders dergelijke harde taal niet in de mond te kunnen leggen. En dan nog wel met die lelijke ui-klanken in het rijm...

In elk geval gaat het in dit lied expliciet over de verantwoordelijkheid van de ouders voor hun kinderen. Zij komen immers met hun kind naar de kerk, omdat zij beseffen dat het kind niet alleen maar een ‘liefdepand’ is in de conventionele zin van het woord, maar ook een pand van Gods liefde voor ons mensen. Ouders hebben hun kinderen als het ware maar van God te leen, als kinderen van Hem. Daarom is het dan ook zaak, dat zij meer op God, op Christus, gaan lijken dan op hen die hun ouders zijn. Alleen zó zullen zij kunnen worden wat hun roeping is: ‘…te midden van een verdorven en ontaarde generatie, waartussen u schittert als sterren aan de hemel’ (Filippenzen 2,15).

Misschien dat pas door deze ‘vervreemding’ van elkander heen ouders en kinderen elkaar zullen herkennen en een zijn in Hem, wiens verschijning zij hebben liefgehad (2 Timoteüs 4,8), de jongeren misschien op een heel andere wijze dan de ouderen.

Auteur: Ad den Besten


Melodie

Johanna Wagenaar werkte onder andere mee aan de bundel van de Nederlandse Protestantenbond, die het licht zag in 1944; ze leverde een belangrijk aandeel in het nieuwe melodieënbestand van deze bundel (elf stuks op een totaal van 19 nieuwe melodieën!). Een van deze was de onderhavige melodie welke destijds gemaakt was bij een tekst van Ds. Jan Jacob Thomson (1882-1961; ‘Wil onze kind’ren, Heer, bewaren’, NPB-bundel, lied 220), welke in het Liedboek voor de kerken het veld heeft geruimd voor het lied dat Ad den Besten maakte op deze melodie.
De zangwijs vraagt een doorgaande beweging, en is overigens, met de woorden van de componiste, ‘behaaglijk zingbaar, hoewel het lied geen vleugels heeft’.

Auteur: Wim de Leeuw