Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

782 - Het koninkrijk is voor een kind


Een eerste kennismaking

Dit lied schreef Jan Wit (1914-1980) in 1972 voor de doop van prins Pieter Christiaan, zoon van prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven. Uitgangspunt voor de tekst zijn Jezus’ woorden zoals te lezen in Matteüs 18,3: ‘Als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan’. Deze tekst keert als een refrein terug in de slotregels van elke strofe.
De eerste strofe vraagt ons om onbevangen als een kind te zijn. De tweede strofe zegt dat macht, eer en ijdelheid die onbevangenheid in de weg staan. De slotstrofe roept ons op om de gang van kinderen niet te blokkeren en die weg ook te volgen.
De tekst werd geschreven op de melodie van het oud-Nederlandse lied ‘Heer Jezus heeft een hofken’. De melodie stamt uit de vroege zeventiende eeuw en is afkomstig uit de bundel met de fraaie naam Het prieel der gheestelijcke melodie, gedrukt in 1614 in Brugge. Het is een van de fraaiste Nederlandse melodieën uit die tijd en met de tekst van Jan Wit kunnen wij die melodie een plaats blijven geven in het liedgoed van de kerk.

Auteur: Pieter Endedijk


Jan Wit
Brugge 1614
Heer Jezus heeft een hofken

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 2’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Zowel in het oude als in het nieuwe testament van de Bijbel wordt het koningschap, de heerschappij van God aan de orde gesteld. God is koning, met name over Israël. Maar volgens de profeten zal deze koninklijke heerschappij zich ten volle en vooral in de toekomst openbaren.

In het nieuwe testament is sprake van het koninkrijk van de Zoon. In Jezus de Gezalfde – een koninklijke aanduiding – is het koninkrijk, is de heerschappij van God bij de mensen (zie Lucas 17,21). In Matteüs 18,3 staat, dat wie zich niet bekeert en wordt als de kinderen, het koninkrijk der hemelen niet zal binnengaan.

Het dooplied, dat Jan Wit in 1972 schreef, gaat over deze thematiek. Het werd geschreven op instignatie van dr. H. Berkhof (1914-1995) voor een kerkdienst waarin prins Pieter Christiaan, zoon van prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven, werd gedoopt. Als dragende melodie koos de dichter het bekende zeventiende eeuwse volkslied ‘Heer Jesus heeft een hofken’. De drie strofen laten zich gemakkelijk zingen op deze mooie melodie. Kern is telkens de derde en vierde regel: ‘en (maar, want) ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk, / die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk’. Regel 4 moet herhaald worden en komt op deze wijze zes maal aan de orde.

Het mannelijke eindrijm (A-A-B-B) zorgt voor stevigheid, structuur en kracht.

De eerste strofe roept op om onbevangen, eenvoudig en zorgloos (niet zorgeloos!) te zijn als een kind. De tweede strofe gaat over de ijdelheid van de macht en de strijd, in strofe 3 klinkt een tweeledige oproep. Ten eerste om de weg van de kinderen tot Jezus niet te versperren en in de tweede plaats als grote mensen zich bij hen aan te sluiten op die heilzame weg.


Melodie

Het bijzonder fraaie volkslied dat Jan Wit als contrafact koos is aan het begin van de zeventiende eeuw, in een tijdspanne van 33 jaar, niet minder dan zes keer in druk verschenen. De tekst werd voor het eerst gepubliceerd in Het hofken der geestelycker liedeken (Leuven 1577, blz. 218), zonder wijsaanduiding; de melodie werd voor het eerst gepubliceerd in Het prieel der gheestelijcke melodie (Brugge 1609). Zie: Flor. van Duyse, Het oude nederlandsche lied, Deel III (’s-Gravenhage 1907, nr. 595, blz. 2332-2334). Voor de originele tekst en melodie zie men: Nederlands Volkslied (Haarlem). De toonsoort in de genoemde uitgaven is evenals in het Liedboek F grote terts. Er zijn wel kleine melodische verschillen tussen de uitgaven waar te nemen: de eerste regel begint volgens zowel Van Duyse (bron: Het Prieel… 1609) als in Nederlands Volkslied (bron: Het Prieel… 1614) niet met een c’, maar met een f’; pas in de tweede regel staat de c’ genoteerd. Een andere melodische afwijking is een wisselnoot aan het eind van de tweede regel (op ‘niet’), twee achtsten f’-g’; mogelijk ligt de oorzaak hiervan (in Nederlands Volkslied) aan de latere bron, 1614. Van een iets andere orde zijn de achtsten-omissies in de derde regel, waar in de oorspronkelijke tekst de woorden ‘engelenzang’ en ‘harpegespel’ klinkt. Dat zijn ‘de kleine dingen die ’t hem doen’: waar Jan Wit qua intentie wel over schrijft (‘en ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk’), maar niet – logischerwijs – doortrok naar de ritmische vormgeving. De eerste noot van de laatste regel wijkt af van beide andere genoemde uitgaven: daar is geen c”, maar een a’.