Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

792 - Kom, God, en schrijf uw eigen naam


Een eerste kennismaking

Dit lied werd geschreven voor de zegening van een trouwverbond. Wat is de betekenis van de naam van de Eeuwige: ‘Ik-zal-er-zijn’ (Exodus 3,12). Driemaal komt deze naam en wat dat betekent aan de orde in strofe 1. De volgende strofen vloeien hieruit voort en het lied eindigt met een verwijzing naar het verhaal over de bruiloft in Kana (Johannes 2,1-11).
In de oorspronkelijk versie van de tekst van Sytze de Vries werd het bruidspaar toegezongen: ‘Kom, God, en schrijf uw eigen naam / als licht over hen uit’. Het ‘hen’ is nu ‘ons’ geworden en ook op andere plaatsen is de tekst aangepast, zodat het bruidspaar deel wordt van de zingende gemeente die om een zegen vraagt en gezegend wordt. De gemeente is getuige en wordt betrokken in het trouwverbond.
Door de kleine tekstaanpassing kan dit lied ook heel goed ook buiten een trouwviering functioneren, zeker op de tweede zondag na Epifanie als het evangelie over de bruiloft in Kana wordt gelezen.
Willem Vogel (1920-2010) schreef een melodie op de huid van de tekst volgens zijn eigen woorden: ‘bedoeld om door iedereen meteen te kunnen worden meegezongen, op een blijde dag; vandaar ook de achtste nootjes, losjes, ter opluistering’.

Auteur: Pieter Endedijk


Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 4’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie werd nieuw geschreven voor dit compendium.

De naam van God is zó bijzonder, zet apart, dat hij naar oud gebruik slechts aangeduid wordt door de vier letters JHWH. Men deinst ervoor terug deze voluit uit te spreken, omdat God zelf daarmee kan worden overheerst of misbruikt. In Exodus 20,7 staat duidelijk: ‘Misbruik de naam van de Heer, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan’.

En ijdel gebruiken wil zeggen: voor niets gebruiken, als wind en damp. De Godsnaam JHWH is een beweeglijke naam, omdat die afstamt van een werkwoord, dat in variërende vormen wordt gebruikt. ‘Ik ben, die Ik ben’ stuurde Mozes naar de Israëlieten, of, in de vertaling van dr. Kees Waaijman: ‘Ik-zal-er-wezen’ (Exodus 3,12.14). Varianten zijn dan: ‘Hij-is-er’ en ‘Hij-weze-er’.

Deze God is dus mobiel en niet in te kaderen naar believen. Hij trekt mee met zijn mensen en begeleidt hen. En dat is al aan zijn naam te zien. (Zie: Dr. Kees Waaijman – Betekening van de naam Jahwe (Kampen 1984).)
Driemaal komt deze naam naar voren in dit lied voor na de zegening van het trouwverbond.

De dichter voert hierbij aan: ‘Ter gelegenheid van de zondag, waarop het verhaal van de bruiloft te Kana de klassieke evangelielezing is, een lied dat specifiek met het oog op de huwelijksinzegening geschreven is. Het is een goed gebruik, dat de aanwezige gemeente in een huwelijksdienst direct na de eigenlijke zegen een lied aanheft. Meestal is dit Psalm 134, hoewel de nieuwe berijming deze minder toepasselijk heeft gemaakt. Bovendien wordt met die woorden het bruidspaar vooral ook tóegezongen, terwijl het lied veeleer een zegenbede, een ‘epiclese’ (aanroepen van Gods Geest bij de handoplegging) zou moeten zijn.

Vandaar dit lied, voor de praktijk geschreven, als rechtstreekse aanroep van God. Naast het gebaar van de handoplegging klinkt het lied, waarin de gemeente dat gebaar biddend onderstreept. Er wordt een beroep gedaan op God, terwille van het bruidspaar. God wordt aangesproken als de bron en ‘toonaangever’ van liefde en trouw. Zijn houding ten opzichte van mensen moge maatgevend zijn voor hun onderlinge verhouding.

Het huwelijk, dat kerkelijk gezegend wordt, kan niet meer exclusief een zaak van twee mensen zijn. De gemeente is getuige én meebetrokken. Daarom verbreedt de liedtekst zich in de laatste strofe naar het ‘wij’ van de gemeente: een bedding, waarbinnen ook voor het bruidspaar plaats zal zijn. Om het karakter van het lied te onderstrepen, kan de handoplegging ook tijdens het zingen worden gecontinueerd. De voorganger staat daar immers ook mede uit naam van de zingende gemeente!’


Melodie

Deze melodie van Willem Vogel uit het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw is indertijd gemaakt om gezongen te worden bij de kerkelijke zegening van een huwelijk of een andere levensverbintenis. De wijs mocht daarom niet te ingewikkeld zijn. ‘Bedoeld om door iedereen meteen te kunnen worden meegezongen, op een blijde dag’, aldus de componist in zijn toelichting bij dit lied ten behoeve van de uitgave in het Lied van de Week (januari 1988). De weinig voorkomende structuur met vijfregelige strofen vormde in dat opzicht een uitdaging.

Na publicatie in het Lied van de week werd het lied opgenomen in Amsterdamse Katernen 3 (1990, blz. 27); Zingend Geloven 4 (1991, nr. 31); Tussentijds (2005, nr. 202); Zingt Jubilate (editie 2006, nr. 669) en de eigen liedverzamelingen van Sytze de Vries: Tegen het donker (2002, nr. 89) en Jij, mijn adem (2009,  nr. 180).

Vogel geeft aan bewust voor de toonsoort A-groot gekozen te hebben. ‘A-dur is voor mij een vrolijke toonaard’. In deze overtuiging staat hij niet alleen. Ook Marc-Antoine Charpentier (1643-1704) karakteriseert deze toonsoort reeds in 1690 als joyeux (vrolijk) en Jean-Philippe Rameau (1683-1764) geeft in 1722 aan: convient aux chants d’allegresse (geschikt voor vrolijke liederen). In 1803 omschrijft Justin Heinrich Knecht (1752-1817) A-groot als fröhlich und hell. Dit vrolijke karakter komt voorts tot uiting in het gebruik van de achtste noten, volgens de componist ‘losjes, ter opluistering’.

Opvallend aan de melodie is de modulatie in de derde regel, waar de melodie uitwijkt naar de parallelle mineurtoonsoort fis-klein (met de leidtoon eis’). Vogel heeft met deze karakteristieke wending de memorabiliteit (zoals hij het zelf noemt: ‘de onthoudbaarheid’) willen vergroten.

De melodie is in een tweedelig metrum geschreven dat steeds tussen de regels doorbroken wordt, behalve tussen de tweede en de derde regel. Dit heeft Vogel naar eigen zeggen gedaan om de tekststructuur te onderstrepen. Immers, in de strofen 1, 3 en 4 wordt op die plek de tekst met een uitroepteken nadrukkelijk afgesloten. Ook de al eerder genoemde stijgende achtste noten ondersteunen de tekststructuur in blokken van respectievelijk twee en drie regels. Deze verschijnen namelijk steeds aan het begin van de regels 2, 4 en 5 en ontbreken dus in de eerste en derde regel.

Anders dan bij veel andere melodieën van Willem Vogel zijn in deze wijs geen duidelijke melodische bouwstenen aan te wijzen waaruit de melodie opgebouwd is. Toch zijn er herkenningspunten te vinden die de melodie een compact karakter verlenen. Zo keren de twee repeterende noten in alle vijf regels terug, zij het steeds op een ander moment in die regels. Verder bestaat de melodie vrijwel alleen uit secundeschreden, op een omspelende grote terts in de eerste en een bevestigende stijgende kwart in de laatste regel na.

De meerstemmige toonzetting van Willem Vogel is opgenomen als koor- én als begeleidingszetting. De harmonische ondersteuning is klassiek en leidt de zanger als vanzelf in de juiste melodische richting. De beweging is doorgaans in kwartnoten, waardoor het tempo enigszins wordt tegengehouden. Ik suggereer een tempo van zo’n 100 kwartnoten per minuut, waardoor het lied een plechtigheid krijgt die past bij de formele feestelijkheid van een kerkelijke huwelijkszegening.

Auteur: Christiaan Winter