Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

80 - O God van Jozef, leid ons verder


Willem Barnard
Genève 1562

Tekst

De berijmingen uit het Geneefse Psalter worden niet afzonderlijk toegelicht.

Zie voor meer informatie het overzichtsartikel Het Geneefse Psalter.


Melodie

In het eerste volledige Geneefse psalter, Les Pseaumes mis en rime francoise par Clement Marot & Theodore de Beze (Genève 1562), stonden zo’n veertig nieuwe melodieën, waaronder die van psalm 80. ‘Nieuw’ is bij deze psalmmelodie eigenlijk heel relatief, want de wijs is onmiskenbaar afgeleid van de middeleeuwse paassequens ‘Victimae paschali laudes’ (Liedboek 615), die ten grondslag ligt aan meerdere melodieën uit de Reformatie, zoals het fameuze paaslied ‘Christus lag in Todesbanden’ (Liedboek 618) van Martin Luther (1483-1546). De eerste twee regels van de sequens en van Luthers paaslied en psalm 80 luiden als volgt:

De melodie(bewerking) van psalm 80 is hoogstwaarschijnlijk gemaakt door Pierre Dèvantes (‘Maitre Pierre’; ±15125-1561) die in de periode 1559 tot augustus 1561 cantor van de gereformeerde kerk te Genève was.

De melodie staat in de dorische toonsoort, waarvan de belangrijkste noten de eindtoon d’ (finalis) en de roeptoon a’ (dominant) zijn. De eerste melodieregel speel zich af rond de eindtoon d’. De tweede regel start weliswaar op de dominant (roeptoon a’), maar de melodie daalt direct weer na de finalistoon en bevestigt deze. De centrale rol van de finalis in de regels 1 en 2 maakt dat de melodie daar vrij ingehouden klinkt. Het ritme van deze twee regels van negen lettergrepen is gelijk. Vanaf regel 3, als de regels acht lettergrepen gaan tellen, wijzigt de ritmiek.
Ook melodisch verandert de wijs in regel 3 vrij ingrijpend. De regel begint en eindigt op de roeptoon, waardoor de melodie in een hogere ligging komt en de terughoudende ‘roep’ uit de eerste twee regels geïntensiveerd wordt. Deze intensiteit neemt bovendien toe doordat de melodie meer sprongen maakt: naast tertssprongen die we al in de eerste twee regels tegenkwamen en die een centrale rol spelen in alle regels, is er nu ook een markante dalende kwartsprong. De intensivering van de roep neemt in de melodie ten slotte ook toe doordat regel 3 letterlijk herhaald wordt in regel 4.
De voorlaatste regel begint zoals de twee voorgaande regels op de dominant , gevolgd door c’’ , maar keert daarna terug naar de lagere ligging uit de eerste twee regels. Opvallend is hier ook het syncopisch ritme . De slotregel opent in ritmisch opzicht opmerkelijk doordat hij opent met drie halve noten. De regel bevat ook de meest opmerkelijke en klagende noot van de hele melodie: de bes’, die in de zestiende-eeuwse muziektheorie vanwege zijn bijzonderheid een naam had: de fa super la. De afsluitende zin krijgt extra lading en nadruk doordat de melodie – in tegenstelling tot de voorgaande regels – opent met drie halve noten.

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Martinicantorij Sneek o.l.v. Gerben van der Veen; Dirk Donker, orgel (strofen 1, 2, 6, 7) (bron: KRO-NCRV)