Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

808 - In diepe nacht ben ik gegaan


Een eerste kennismaking

Huub Oosterhuis schreef de tekst bij motieven uit het Hooglied. Enkele fragmenten daaruit zijn specifiek herkenbaar in het lied, zoals Hooglied 5,6-8 in strofe 2: ‘Ik zocht hem, maar ik vond hem niet, / ik riep hem, maar hij antwoordde niet’.
Andere fragmenten uit het Hooglied die we in de liedtekst herkennen, zijn Hooglied 3,1-4 (strofe 1) en 8,2-4 (strofe 3).
Oosterhuis schreef zijn vroege liederen vaak op bestaande melodieën die voor velen bekend waren, zodat mensen ze gemakkelijk konden meezingen. Voor dit lied koos de dichter het oud-Nederlandse kerstlied ‘Ons is geboren een kindekijn’. Voor velen in onze tijd zal deze melodie niet meer bekend zijn, zodat er geen kerstassociaties opkomen.
De vierde strofe vraagt bij het zingen enige aandacht. De eerste noot van de melodie vervalt en de tweede noot wordt in tweeën gesplitst, zodat het tekstaccent op ‘Lief-de’ goed klinkt.

Auteur: Pieter Endedijk


Lied van de geliefde

Huub Oosterhuis
16e eeuws Nederlands kerstliedPuer nobis nascitur
Ons is geboren een kindekijn

Tekst

Ontstaan en verspreiding

‘Het lied van de geliefde’ zoals de titel van het lied in de eerste uitgave luidt (Liturgische Gezangen I (1967, nr. 91) is door Huub Oosterhuis geschreven in de beginperiode van zijn activiteiten voor de ontwikkeling van een Nederlandstalige liturgie. Het lied is minder bekend en wordt minder vaak gezongen, maar het is al wel snel in heel veel bundels opgenomen. Blijkbaar wisten de samenstellers van liedbundels het lied hoger te waarderen dan de gebruikers ervan. Dat heeft er waarschijnlijk mee te maken dat de inhoud van het lied op het eerste oog niet zo gemakkelijk te begrijpen is en dat het niet direct herkenbaar is als een klassiek kerklied, ondanks zijn Bijbelse inhoud zoals we hierna zullen zien. Hoewel het een Bijbels lied is, heeft Oosterhuis het niet opgenomen in zijn Nieuw bijbels liedboek (1986), maar het maakt wel deel uit van alle andere verzamelbundels van zijn liederen. Als eerste werd het gepubliceerd in de herziene editie van zijn boek In het voorbijgaan (1975, blz. 103) en daarna verscheen het ook in Aandachtig liedboek (1983, nr. 56), Gezongen liedboek (1993, blz. 245), Verzameld liedboek (2004, blz. 770) en Stilte zingen (2018, blz. 472). De liedbundels waarin het lied is opgenomen zijn de Randstadbundel (1971, nr. 421), Bavoliedboek (1979, nr. 240), Zingt Jubilate (alleen eerste editie 1977, nr. 668), Abdijboek (1981, Varia 28 en 82), Gezangen voor Liturgie (1983, nr. 476), Petrus en Paulus bundel (1987, nr. 267), en het Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 517).

Vorm

Het lied bestaat uit vijf strofen van vier regels die een afwisselende lengte hebben van zeven en acht lettergrepen. Deze regelmaat wordt eenmaal doorbroken, in de derde regel van strofe 2 die een lettergreep meer heeft. Het metrum kent overwegend de jambische versvoet (v -), waar enkele keren van wordt afgeweken. Dat is het geval in de zojuist genoemde langere regel in strofe 2, en in de eerste regel van de strofen 4 en 5. Het rijmschema is onregelmatig. De eerste strofe kent gekruist rijm (A-b-A-b) en in de overige strofen zijn het alleen de even of de oneven regels die rijmen.
Zoals dikwijls het geval is bij liederen van Oosterhuis komen er in de verschillende uitgaven van zijn teksten diverse varianten voor. Dikwijls betreffen deze wijzingen leestekens en het gebruik van hoofdletters, maar ook zijn soms woorden veranderd. Ook in dit lied is daar sprake van. De versie van het lied in In het voorbijgaan kent bijna geen leestekens en maakt van iedere strofe één doorlopende zin: elke strofe begint met een hoofdletter en eindigt met een punt. En de hoofdletters als aanduiding van God in de eerste drie strofen (‘God’ en ‘Hem’) zijn achterwege gelaten. In zijn latere bundels keren wel weer een aantal leestekens terug, maar de kleine letters voor God blijven gehandhaafd. Wel is daar een andere wijziging aangebracht. Vanaf de publicatie in Aandachtig liedboek is in de derde regel van de vierde strofe ‘geen taal verstaat haar wonder groot’ gewijzigd in ‘geen taal verstaat uw wonder groot’. In de verschillende liedbundels is deze wijziging niet overgenomen en is ‘haar’ gehandhaafd. Het gebruik van leestekens loopt in de verschillende bundels uiteen en de aanduiding van God met hoofdletters is ook niet eenduidig. Het Bavoliedboek hanteert wat dit betreft een heel eigen interpretatie en schrijft niet alleen het woord ‘God’ maar elke aanduiding van de derde persoon (‘Hij’, ‘Hem’) met een hoofdletter.

Inhoud

Dit al dan niet gebruik van hoofdletters duidt op een van de moeilijkheden van dit lied: wie is de derde persoon? Voor een antwoord op deze vraag moeten we naar de bron die aan dit lied ten grondslag ligt, maar ook dan blijkt dat de moeilijkheid niet direct is op te lossen. Het lied is namelijk gebaseerd op een aantal motieven en passages uit het Hooglied: 3,1-5; 5,6-7; 8,2.4.6-7. En omdat het Hooglied doorgaans wordt beschouwd als liefdespoëzie, kan dit lied worden gekarakteriseerd als een liefdeslied, zoals ook de titel suggereert.

Het gaat in het lied over een ‘ik’ en een ‘hij’ die ook wordt aangeduid als ‘mijn vriend’ en ‘mijn god’. In lijn met het Hooglied waarin de liefde tussen een vrouw en een man centraal staat, is de ‘ik’ in het lied een vrouw die hartstochtelijk op zoek is naar haar geliefde. De radeloosheid domineert in de eerste twee strofen en wordt onderstreept in het vergeefs zoeken zoals geformuleerd in regel 1 van de tweede strofe, een citaat dat driemaal voorkomt in het Hooglied (3,1-2; 5,6). De geliefden vinden elkaar uiteindelijk zoals de laatste regel van de tweede strofe aangeeft, maar in het lied zijn subject en object omgedraaid ten opzichte van de versie in het Hooglied. Daar is het de ‘ik’ die de geliefde vindt (3,4), terwijl in het lied de ‘ik’ door de geliefde wordt gevonden. Samen gaan ze vervolgens terug naar de oorsprong, naar de geboorte en naar de plek waar zich het fundament bevindt van je wezen en je identiteit, zoals uitgedrukt in je naam (8,2) (strofe 3).

In de strofen 4 en 5 wordt beeldend de kracht van de liefde verwoord, de liefde die sterker is dan de dood, die niet onder woorden te brengen is en die niet kapot is te krijgen. Deze hechte band van de liefde die in het Hooglied verwoord is als de liefde tussen een vrouw en een man heeft in de loop van de tijd verschillende interpretaties gekend. In een allegorische of zinnebeeldige interpretatie zou het gaan om de relatie tussen God en Israël, of tussen God en zijn volk. In de christelijke context verschoof de interpretatie naar de relatie tussen Christus en zijn kerk. En in een meer algemene of mystieke benadering wordt de liefdesrelatie gezien als een zoektocht van God en mens naar elkaar. Door deze gelaagdheid van het Hooglied die ook in dit lied aanwezig is, is het lied niet gemakkelijk te doorgronden. Deze complexiteit maakt het lied tot een rijk lied, maar tevens tot een niet eenvoudig te bevatten lied. En de verschillende manieren waarop het Hooglied is geïnterpreteerd laten ook hun sporen na in de weergave van het lied in de verschillende bundels. Door de derde persoon consequent van een hoofdletter te voorzien wordt de duiding van het lied gestuurd en wordt deze persoon als God geïdentificeerd.

Liturgische bruikbaarheid

Het lied heeft in het Liedboek een plaats gekregen in de rubriek ‘Pelgrimage’ als onderdeel van de liederen die de levensreis van de mens beschrijven. Het lied verwoordt het zoeken naar God. Daarnaast kan het ook gezongen worden in de paastijd en bij trouwvieringen.

Auteur: Louis van Tongeren


Media

Uitvoerenden: Collegium Vocale Zaandam o.l.v. Cor Brandenburg; Jan Hage, orgel (bron: KRO-NCRV)