Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

812 - Op mijn levenslange reizen


Huub Oosterhuis
Tom Löwenthal

Tekst

Ontstaan en verspreiding

De tekst van het lied is in een ietwat andere vorm voor het eerst verschenen in Aandachtig Liedboek (Baarn 1983, nr. 74). Ook is hij opgenomen in Gezongen Liedboek (Kampen/Kapellen 1993, blz. 259). Met melodie verscheen het lied in Liturgische Gezangen II (1985, br. 75), de Petrus en Paulusbundel (1987, nr. 305) en Verzameld Liedboek (2004, blz. 766).

Vorm

Een tekst van drie coupletten met zeven regels. Er is geen duidelijke rijmschema, al komt er enkele keer eindrijm voor (spreken/breken, spijze/reizen), medeklinkerrijm (lag/liefde), en klinkerrijm (zag/bracht/drank). Ritmisch zijn de regels wel min of meer gelijk (iedere regel heeft viermaal een trochee).

Inhoud

Levensreis

Het symbool van de reis is een veel voorkomend beeld van ons leven. De reis begint bij de geboorte en eindigt met de dood. Het symbool van de weg ligt daar dicht tegen aan: de lange, rechte weg, de dwaalweg, de kronkelweg, de splitsing en de doodlopende weg. Met deze beelden speelt de dichter in het lied dat in de ik-vorm is geschreven. Daarmee lijkt de tekst ook een particuliere bestaanservaring uit te drukken. Maar het tegendeel is waar.

Couplet 1

Op je levensreis word je vaak door twijfel bedreigd, de twijfel die het licht wegneemt, die het zicht verdonkert en de reis zwaar maakt. De ‘liefde blind’ (de liefde die blind is of blind maakt?) wenkt en wijst je de weg. Kortom: een onzeker bestaan. Op deze levensreis probeer ik wat of wie onzegbaar is tot uitdrukking te brengen, en wanneer je dat niet sprekend kan, moet het zingend en op verschillende wijzen: ‘Ooit mijn hart te breken, ooit mijn hart voor jou te breken’. De eerste vijf woorden zijn nog ongericht, haast fatalistisch, maar als het gaat om mijn hart voor jóu te breken, dan klinkt er hoop in door: de visionaire hoop, dat ik me kan wegschenken, in liefde voor jou. Sterker nog: dat ik mijn leven kan geven in verbondenheid met jou.
Deze woorden schilderen de uitgangssituatie, dán klinkt nog het zingen.

Couplet 2

Maar wanneer je lang zingt, en zeker wanneer je geforceerd zingt, word je schor. En het kan zijn dat je hart breekt en dat je beseft: voor wie doe ik het eigenlijk? Wanneer deze vraag zich opdringt, kun je niet meer reizen, dan kun je niet meer verder. Je wilt je zo klein mogelijk maken, wegkruipen, weer aarde worden, niet meer zijn. Ook hier in het tweede couplet zijn de zesde en de zevende regel verwant. En opnieuw is de zesde regel onpersoonlijk en spreekt de zevende regel iemand aan, in dit geval de dood.

Couplet 3

In die stilte – in het neuriën, het zachte suizen – wanneer je zou willen dat de dood komt, in de stilte van de dood, vindt een keer plaats. Je bestaan stond op het spel, je hart is gebroken, je hebt je leven gegeven en nu ontdek je voor wie je dat hebt gedaan, wie de ‘jou’ uit het eerste couplet is. Het duister van de twijfel, de twijfel die je beheerste, verdwijnt en je ziet dat de liefde jou ziet, dat liefde je voedt en je dorst lest, nieuw leven geeft. De ‘liefde blind’ uit het eerste couplet blijkt iets te zijn dat jij niet kunt be-‘grijpen’, maar die zich tot jou keert. Daarmee is de levensreis niet afgelopen, je jaagt niet meer blind iets achterna, maar je reist nu met iemand.

De bovenstaande parafrase van de tekst ligt op het algemeen menselijk niveau. Oosterhuis heeft in zijn eigen uitgaven onder de tekst een schriftverwijzing gezet: 1 Koningen 19,4-8. Het is het verhaal van de profeet Elia die getuigd heeft van God, maar bedreigd door de machthebbers de woestijn is in gevlucht, en die nu onder de brem ligt en wil sterven. Hij wordt aangeraakt en een engel van God stoot hem aan en geeft hem tot tweemaal toe een gebakken koek en een kruik water en dan gaat Elia weer verder op zijn reis. Wanneer je het lied nu opnieuw leest, blijkt dit het lied van Elia te zijn.

Liturgisch gebruik

Wanneer kun je dit lied zingen? Natuurlijk bij de lezing uit 1 Koningen 19. Het kan ook klinken bij het verhaal van Hagar en Ismael in de woestijn (Genesis 21,14-21). Er zijn ook vele levensmomenten waarop deze tekst een weg wijst: bij belijdenis of vormsel, bij een wijding of een inkleding, bij de viering van een relatie, bij een pelgrimstocht, na een levenscrisis. Het lied kan klinken bij heel verschillende momenten op onze levensreis.

Auteur: Andries Govaart


Melodie

Een toelichting bij de melodie volgt nog.


Media

Uitvoerenden: koor van de Amsterdamse Studentenekklesia en/of koor voor Nieuwe religieuze muziek