Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

817 - O, Christus, bron van lentebloei


O blessed spring, where word and sign

Susan Palo Cherwien
Andries Govaart
Robert Buckley Farlee
Berglund

Tekst

Herkomst en verspreiding

Het lied ‘O blessed spring’ schreef Susan Palo Cherwien in 1993, toen haar echtgenoot David Cherwien cantor was aan de Lutheran Church of the Good Shepherd in Minneapolis, Minnesota. In deze kerk hangt boven de doopvont een bronzen beeld van de Amerikaanse beeldhouwer Paul T. Granlund (1925-2003), dat de titel ‘Life Tree’ draagt. Zoals hieronder uitgewerkt zal worden, was dit beeld de inspiratiebron voor het lied.
Hetzelfde jaar maakte de dichteres kennis met Robert Buckley Farlee, pastor en cantor aan de Christ Church Lutheran te Minneapolis, met wie zij een kerkmuziekconferentie voorbereidde. Omdat hij haar kende als begaafd dichteres, vroeg hij haar of ze ook kerkliedteksten geschreven had. Cherwien gaf hem een aantal, waaronder ‘O blessed spring’. De melodie die Farlee bij deze tekst componeerde, werd in 1994 gepresenteerd tijdens een bijeenkomst van componisten in Minneapolis. In hetzelfde jaar werd het gepubliceerd als koorwerk, en een jaar later kwam het lied terecht in de bundel With One Voice (Hymn 695).
Het lied verscheen in 1997 ook in O Blessed Spring, een bundel kerkliederen van Susan Palo Cherwien op melodieën van onder anderen Robert Buckley Farlee, Ronald A. Nelson, David Cherwien en Mark Sedio. In 2006 werd het lied opgenomen in Evangelical Lutheran Worship (Hymn 447), het liedboek en dienstboek van de Evangelical Lutheran Church in America.
Voor het Liedboek schreef Andries Govaart een vertaling, en daarmee is dit lied voor het eerst opgenomen in een Europese kerkliedbundel.

Inhoud

Vorm

De dichteres gaf haar lied de klassieke vorm van de ambrosiaanse hymne: vier regels van elk acht lettergrepen, met vier jamben per regel en het rijmschema van A-A-B-B.

Thema

Het hierboven genoemde beeld van Granlund is gebaseerd op Johannes 15,5: ‘Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken.’ De sculptuur stelt een boom voor met een centrale stam waarop een Christus-figuur is afgebeeld. Doordat Christus gekruisigd staat afgebeeld, is deze stam tegelijk het kruis. Aan de stam zijn vier takken verbonden die de vier seizoenen van het menselijk leven voorstellen: een vrouw die een kind wiegt, een beweeglijk levendige jongere, een oudere vrouw en – als vierde – een bejaarde man. Deze oude man neemt de foetushouding aan, waardoor de levenscirkel gesloten wordt. Het verhaal gaat dat de bejaarde man een zelfportret van de beeldhouwer is, die zijn beeld samenvatte met de zin: ‘The Christ image is at the center of this family in every season of life.’

Foto: Susan Palo Cherwien

Op basis van de sculptuur en Johannes 15,5 schreef Cherwien haar hymne over ‘the life of the baptized, intrinsically and deeply connected to Christ the Vine’, zoals ze haar lied zelf samenvat. De liedstructuur is gebaseerd op Granlunds beeld: de laatste strofe vormt als het ware de centrale stam, de wijnstok, waaraan de eerste vier strofen verbonden zijn. De coupletten 1 tot en met 4 representeren successievelijk een van de vier takken/ranken, lees: seizoenen van het menselijke leven.

Strofen

Het eerste couplet handelt over de lente van het leven, en opent in de Engelse versie met de regel ‘O blessed spring, where word and sign’. Het woord ‘spring’ betekent niet alleen ‘lente’, maar ook ‘herkomst, (water)bron’. De laatstgenoemde betekenis legt een verband met de doop. Ook de woordcombinatie ‘word and sign’ (woord en teken) verwijst naar het sacrament. In de Nederlandse vertaling is dit verband aanwezig door het woord ‘bron’ en vooral door de tweede versregel: ‘doop ons in U om onze groei’. De verbinding van de doop met de lente van het leven gaat uit van de kinderdoop.

Strofe 1 verbindt twee Christusmetaforen aan elkaar: die van de wijnstok uit Johannes 15 en die van de levensboom uit Genesis 2,9 en Openbaring 22,2:

embrace us into Christ the Vine:
here Christ enjoins each one to be
a branch of this life-giving Tree.

In de Nederlandse vertaling komt het beeld van de wijnstokranken alleen in de laatste strofe voor.

Het beeld van water uit couplet 1 komt in de vorm van ‘regenwater’ terug in de tweede strofe: ‘sustained by Christ’s infusing rain’, of zoals Govaart vertaalt: ‘door Christus’ regen rijk gevoed’.
Toen Cherwien het lied schreef, had zij twee kinderen in de puberleeftijd. Deze pubers waren inspiratiebron voor bewoordingen uit de tweede strofe: ‘summer heat of youthful years’ (zomergloed van jeugd en kracht) en ‘uncertain faith, rebelious tears’ (opstand, twijfel, tranennacht).
Een dergelijke autobiografische achtergrond kent ook de derde strofe die over de herfst van het mensenleven handelt. Cherwiens grootmoeder klaagde vaak dat haar voeten zo zwaar (‘heavy’) geworden waren dat zij ze nauwelijks meer van de grond kreeg. Zo ontstond de tweede regel van strofe 3: ‘When limbs their heavy harvest hold’ (letterlijk: wanneer ledematen hun zware oogst dragen’). Maar – zoals de dichteres stelt – het is duidelijk dat men deze achtergrondinformatie niet nodig heeft om de versregel te begrijpen. Integendeel, een van de prachtige karakteristieken van hymns vindt Cherwien hun mogelijkheid tot meerduidigheid; er is ruimte voor verschillende betekenissen: elke zanger kan zijn eigen betekenis geven aan woorden en metaforen.

Na de lente en zomer is de herfst het eerste jaargetij waarin de temperatuur daalt. Dat gegeven speelt in strofe 3 een rol. Tegenover de najaarskou staat echter de ‘warmte’ van Christus’ gaven van schoonheid, wijsheid en liefde.
Het vierde couplet bezingt de onontkoombaarheid van de winter, waarin ‘we’ – in de woorden van Genesis 3,19 – terugkeren tot stof: ‘we breathe our last, return to dust’ (‘we keren weer tot onze grond’).
Fraai is dat in dit couplet teruggegrepen wordt op de lente; de slotregel luidt namelijk: ‘and trust the promise of the spring’. Ook in de Nederlandse versie is er een indirecte verwijzing naar de lente, omdat het woord ‘bron’ uit de vierde versregel terugwijst naar de ‘bron van lentebloei’ uit regel 1 van het eerste couplet. Op deze manier is in het lied de levenscyclus onder woorden gebracht, zoals de sculptuur van Granlund de oude man weergeeft in de foetushouding: terug naar het begin van het leven.
Govaart opent de slotstrofe met de aanroep ‘O Christus’, en herneemt daarmee de opening van strofe 1. Deze aanroeping is in de Engelse versie van het eerste en laatste couplet niet aanwezig. Maar Cherwien heeft deze twee strofen wel aan elkaar verbonden. Beide coupletten bevatten namelijk de beelden van wijnstok en van levensboom, en het ‘word and sign’ uit strofe 1 keert terug in de slotstrofe: ‘word and water’:

Christ, holy Vine, Christ, living Tree,
be praised for this blest mystery:
that word and water thus revive
and join us to your Tree of Life.


Melodie

Zoals gebruikelijk in Angelsaksische kerken heeft de melodie een naam, in dit geval: Berglund. Farlee koos deze naam als eerbetoon aan de familie van zijn moeder. Haar vader, George Berglund, emigreerde aan het begin van de twintigste eeuw van Zweden naar Amerika.

De melodie staat in F grote terts en heeft dus als dominant c’. De eerste regel beweegt naar de kwart onder de grondtoon, de dominant c, om vervolgens een kwart te stijgen, naar de bes’ en te eindigen op g’. Deze toon g’ werkt in de tweede regel als dominant van de dominant (c’); de melodie moduleert in deze regel naar c’. Opvallend in deze regels zijn de stijgende drietonige melismen: in regel 1 f’-g’-a’ en in regel 2 d’-e’-f’.
De volgende twee regels bevatten uitsluitend dalende melismen. In tegenstelling tot de eerste twee regels kent de derde regel een driedelig metrum. Deze regel en het begin van regel 4 vormen een beweging van de dominant c’ onder de grondtoon f’ naar de dominant c” boven de grondtoon. Dit gebeurt door middel van een melodisch fragment van zes noten, dat weer onder te verdelen is in motief a en motief b (zie onderstaand notenvoorbeeld). Motief a is ontleend aan de melismen uit de eerste twee melodieregels.
Het zestonige fragment klinkt eerst op c’, waarbij motief a in majeur klinkt en motief b in mineur. Vervolgens wordt het fragment herhaald op e’, waarbij motief a nu in mineur klinkt en motief b in majeur.
De vierde regel opent opnieuw met motief a, beginnend op g’, maar komt tot stilstand op de c”. Op dat moment keert de binaire maatsoort weer terug en bereikt de melodie haar hoogtepunt (d”). Via een melisme van vijf noten wordt de grondtoon bereikt:
Uit bovenstaande analyse blijkt dat melismen een structurerende rol vervullen. Dat is bewust gedaan: de componist heeft zo het stromend water (‘spring’) willen weergeven. Trouwens, niet alleen de melismen, maar de hele curve van de melodie vanaf het begin tot het einde maakt als het ware een golvende beweging.

De melodienotatie in de Evangelical Lutheran Worship bevat geen maat- of tactusaanduiding. Toch is het beter om deze wel aan te brengen, zoals in het Liedboek is gebeurd. Het helpt namelijk te voorkomen dat ten onrechte een tempo gekozen wordt waarbij de kwartnoot als teleenheid genomen wordt. Dat levert namelijk al gauw een te laag tempo op; de melodie moet vanuit de halve noot gezongen worden, en dus in een fris, stromend tempo (halve noot: MM 66-69).


Liturgische bruikbaarheid

De dichteres hoopte dat het lied gebruikt zou worden bij de doopbedieningen in haar kerk, maar in de praktijk bleek het daar en elders ook in andere contexten gezongen te worden. Uiteraard kan het lied klinken bij de bediening van de doop, maar – mede gezien het beeld van de wijnstok en ranken – kan het eveneens functioneren in het kader van de avondmaalsviering. Dat het in het Liedboek is opgenomen in de rubriek ‘Leven – levensreis’, geeft aan dat het lied ook een plek kan krijgen bij ‘rites de passage’.

Auteur: Jan Smelik

Met dank aan Susan Palo Cherwien en Robert Buckley Farlee voor hun informatie.