Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

831 - Gestuurd op wegen ongedacht


Een eerste kennismaking

Dit lied werd door Sytze de Vries geschreven bij het bijbelboek Jeremia. In de woorden van het lied krijgt vooral de roeping van Jeremia alle aandacht, maar het lied is algemener bruikbaar als ‘roeping’ aan de orde is. In de strofen klinken woorden van de geroepene, het refrein ligt in de mond van de gemeente: in drie regels klinkt viermaal het woord ‘ons’.
Het contrast tussen couplet en refrein komt ook in de melodie van Willem Vogel naar voren: de onzekerheid van de geroepene horen we in het couplet met een melodie in een driekwartsmaat en een steeds terugkerend ritme in elke regel. Het refrein staat in een vierkwartsmaat en het ritme is veel gelijkmatiger dan van het couplet.
Het refrein wordt niet na elke strofe gezongen, maar alleen na de strofen 3, 6 en 9.

Auteur: Pieter Endedijk


Lied van Jeremia

Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

De ondertitel van dit lied luidt: ‘Lied van Jeremia’. Dit geeft al direct aan wie de ik-persoon, de hoofdpersoon is.
De opname in de rubriek ‘Levensreis’ verheldert ook. Ieder mens, elke christen, weet zich, al is het maar in een bepaalde periode van haar of zijn leven, een Jeremia: geroepen, en onderweg, misschien wel ‘gestuurd, op wegen ongedacht.’
Het lied stamt uit de tijd van de samenwerking van dichter en componist (Sytze de Vries en Willem Vogel) in de Oude Kerk te Amsterdam en is toentertijd (oktober 1993) opgenomen in de Amsterdamse Katernen 13, blz. 16 (met dezelfde melodie voor het refrein, maar met een andere voor het couplet).

Negen coupletten telt het lied. Met na elk derde couplet het refrein ‘Stem, die ons uitdaagt, vind bij ons gehoor!’. Zo krijgt het lied structuur: de gemeenschap roept op, vraagt, bidt, terwijl in de coupletten het profetische verhaal en de persoonlijke ervaring doorklinkt. 
Tevens concentreert zich deze indeling op drie thema’s met soms een lichte ‘overloop’; het zijn met elkaar samenvattingen van verzen uit het boek van de profeet, bijvoorbeeld rond zijn roeping en opdracht (coupletten 1 tot en met 3, zoals beschreven in Jeremia 1 en 2).
Daarnaast verwoorden de coupletten 4 tot en met 6 de existentiële strijd van elke profeet die nadenkt over wat deze God wil. De dichter schrijft erover: ‘Dat Gods oordeel genade is, uit liefde en behoudzucht voortkomt, is een terugkerend thema in de profetische literatuur in het algemeen. Het meest zwarte scenario wordt afgeschilderd als ultieme waarschuwing, om het onheil uiteindelijk te voorkomen en om een omkeer te bewerkstelligen’ (Commentaar Zingend Geloven 5).
De meest indringende klacht van de profeet Jerermia klinkt door in de slotcoupleten. (7 tot en met 9) . Ze staan beschreven in  hoofdstuk 20,7-18. Het betreft ten diepste de klacht over het feit dat hij geboren is.
Je kan zeggen dat het hele lied doortrokken is van wat genoemd wordt het   ‘profetische ‘ik’. Niet alleen Jeremia zingt deze woorden. Elke  zanger die deze woorden op de lippen neemt vertolkt de rol van de profeet. En aan allen, de gemeente, is het refrein  in de mond  gelegd, waarin het verlangen wordt uitgedrukt vervuld te raken van de profetische opdracht.
Vooral die gedeelten uit het boek Jeremia zijn gekozen, waarin gesproken wordt over de moeite van de profeet met zijn roeping. Hij lijdt eraan, hij lijdt zelf aan zijn taak Gods boodschap te moeten verkondigen. . ‘Want Jeremia is één van de profeten, die het meest zijn woorden zelf aan den lijve ervoer en als het ware zijn woorden wérd’, aldus De Vries (Commentaar Zingend Geloven 5).

Inhoud

In couplet 1 kan men bij ‘eenzaam vechter in de nacht’ behalve aan Jeremia ook denken aan de worsteling van aartsvader Jakob, in de nacht bij de Jabbok (Genesis 32,22). De profetenmantel is een beeld in verband met de roeping van een profeet (1 Samuël 2,19) of de overdracht van die roeping (zie Elia en Elisa; 2 Koningen 2,11-14).
Beide aspecten van Gods verlangen naar de mens, waar een profeet zo onder lijdt, namelijk hoop en teleurstelling, komen in het derde couplet toegespitst tot uiting: ‘Hij roept om ons én klaagt ons aan. Kan Hij niet zonder ons bestaan?’
Het refrein laat mooi zien dat door en met de woorden van de profeet de stem van de Eeuwige klinkt. Dat zet zich in het tweede couplet door: ‘aangeraakt ben ik nu tot zijn stem gemaakt’.
Ook een profeet wil graag andere wegen gaan. Daarvan getuigt het vierde couplet: ‘Zo ongelegen komt zijn woord.’ Maar het is onontkoombaar. Als een onderhuidse ziekte, een passie dringt het woord van God in een mensenleven naar voren, ‘heeft zich in mijn bloed gedrongen, als liefde waar ik mij aan geef’. Er is geen weerstand tegen mogelijk.
‘Een hamer die de rotsen splijt’ in het vijfde couplet doet denken aan de stenen harten van mensen (zie Ezechiël 11,19). Zo sterk is het woord van de Eeuwige, het gaat niet over, het ‘verwaait niet’, het is ‘vuur waarin de liefde laait’, een beeld dat aansluit bij het refrein (‘Woord als daglicht, altijd laaiend vuur’). Zie ook in het zevende couplet: ‘als een vlam slaat Hij mij uit’ – bijna een mystiek beeld: God als een uitslaande brand van liefde in de mens.
In het zesde couplet gebeurt hetzelfde als in het derde: na telkens twee coupletten ‘ik’ (1-2 en 4-5, waarbij 5 doorgaat op 4) vereenzelvigt en verbindt de ‘profeet’ zich met ‘ons’. ‘Hij roept om ons…’ (3) en ‘Wij buigen ons…’ (6).
Vervolgens verengen of ‘ver-een-zamen’ de coupletten 7-9 zich weer tot het ‘ik’ van de profeet. Heel indringend vatten deze samen waar Jeremia zo mee worstelt: de vergeefsheid van zijn roeping, de last die hij moet dragen, zijn geboortedag die hij vervloekt. Daarbij pakt de dichter een gedachte uit couplet 4 hier nogmaals op: ‘in mijn bloed gedrongen’ (4) en ‘Hij zit mij in het bloed’ (9). De profetische positie is er een van ‘gevangen te zijn in zijn stem’.
De weerspannige houding van de mens, van de mensheid, wordt intussen niet verzwegen: ‘Hij striemt de vrome zekerheid’ (couplet 6), ‘Hij klaagt ons aan’ (couplet 3). Uiteindelijk is Hij ‘een God die aan ons mensen lijdt’ (couplet 5).

Liturgische bruikbaarheid

Dit lied is niet alleen te zingen wanneer het lectionarium een lezing uit de profeet Jeremia aangeeft, maar ook wanneer de reis van een mens door het leven, zijn gelovige reis, ‘bekleed met Gods verdriet’ (refrein, regel 1), aan de orde gesteld wordt, bijvoorbeeld in de veertigdagentijd.                                          

Auteur: Nico Vlaming


Melodie

De melodie van dit lied zoals die in het Liedboek is opgenomen is niet de oorspronkelijke. De aanvankelijke melodie uit 1993 is te vinden in Amsterdamse Katernen 13.

Twee jaar later verscheen het lied met een andere strofemelodie in Zingend Geloven 5 (nr. 19). En deze nieuwe melodie heeft beduidend meer karakter dan de aanvankelijke: ze is ritmisch rijker en melodisch consistenter. Ook is het niet geheel duidelijk hoe de tempi van couplet en refrein zich in de oorspronkelijke melodie tot elkaar dienden te verhouden. Bovendien vertoont de melodie uit de Amsterdamse Katernen wel erg opvallende overeenkomsten met die van Liedboek 281, een wijs die rond 1993 regelmatig in de hoofdstedelijke Oude Kerk geklonken zal hebben. Kortom: er is terecht een nieuwe strofemelodie gecomponeerd, die ook in de latere uitgaven van de liederen van Sytze de Vries (Tegen het donker en Jij, mijn adem) werd aangehouden.

Deze melodie, die ook in het Liedboek te vinden is, heeft een metrum dat gedurende de vierregelige strofen consequent wordt volgehouden. Binnen de driekwartsmaat laat Vogel syncoperende maten afwisselen met maten waarin de noten de puls volgen. De meerstemmige begeleiding laat zien dat de tactus van de driekwartmaat onverstoorbaar doorgaat.

De regels 1 en 3 zijn vrijwel identiek, evenals de regels 2 en 4. Vrijwel identiek, want in regel 1 en 3 zit één nootje verschil en dat vraagt wel om zeer oplettende zangers. Wat dat betreft zijn de verschillende afsluitingen van de regels 2 en 4 logischer; voor een zanger met westerse oren meer voor de hand liggend.

Als toonsoort koos Vogel voor f-klein, een toonsoort die volgens barokmuziektheoreticus Johann Mattheson (1713) een gelaten, diepe, zwarte, met vertwijfeling gepaard gaande doodsangst uitdrukt; karakteristieken die overeenkomen met deze jeremiade van negen strofen.

In het refrein wisselt de maatsoort. De wat zoekende sfeer uit de strofen maakt plaats voor een kordaat, aan duidelijkheid niets te wensen overlatend ritme dat naadloos aansluit bij zowel de inhoudelijke als metrische omslag in de tekst.

De componist heeft het refrein in zes korte zinnetjes gedacht (zie Amsterdamse Katernen 13 en Zingend Geloven 5). Deze lopen parallel met even zoveel maten. Meteen valt het dalende loopje van achtste noten in de regels 2, 5 en 6 op alsmede de gemodificeerde variant daarvan in regel 4. Daarnaast is er een duidelijke connectie tussen de regels 3 en 5 van het refrein, de regels die eindigen met de dalende kwint. Ook de regels 1 en 4 vertonen opvallende overeenkomsten. Die vierde regel (‘altijd laaiend vuur’) is onmiskenbaar de meest expressieve, vooral door de stijgende octaafsprong waaruit deze voortkomt.

Hoewel in het Liedboek het refrein meteen onder de eerste strofe is afgedrukt, wordt het slechts gezongen na de strofen 3, 6 en 9. De notatie in het Liedboek kent overigens een kleine aanpassing ten opzichte van alle eerdere uitgaven: na het couplet is een kwartrust toegevoegd, zodat de uitvoeringspraktijk nu overeenkomt met het notenbeeld. De originele zetting van Willem Vogel is een begeleidingszetting. Ondergetekende maakte een eenvoudige en ‘dunne’ driestemmige koorzetting en voegde een bovenstem toe aan de Vogelzetting van het refrein. Een vlot gaande, vertellende kwartenbeweging (MM=84) onderstreept het balladekarakter van dit lied.

Auteur: Christiaan Winter