Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

834 - Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht


Erneure mich, o ewigs Licht

Johann Friedrich Ruopp
Ad den Besten
Nürnbergisches Gesangbuch 1676/lezing EKG
O Jesu Christe, wahres Licht

Tekst

Herkomst en verspreiding

In 1704 gaf de predikant Johann Fredrich Ruopp (1672-1708) samen met zijn collega Johann Friedrich Haug (1680-1753) de liedbundel Jesuslieder uit. Zoals uit de titel al blijkt, waren het liederen die tegemoet moesten komen aan de doorleefde Jezus-vroomheid, zoals piëtistische theologen deze voorstonden en nadrukkelijk propageerden. Ruopp en Haug stelden het bundeltje samen voor de conventikels die zij in Straatsburg organiseerden. Van dit liedboek zijn alle exemplaren verloren gegaan. Het lied is wel bekend uit andere liedbundels. Zo nam Johann Porst het op in zijn bundel Geistliche und liebliche Lieder, die in 1727 verscheen en tot in de negentiende eeuw herdrukt werd. Uit deze bundel blijkt dat het oorspronkelijke lied zestien coupletten telde:
In 1714 plaatste Johann Anastasius Freylinghausen zeven liederen van Ruopp in zijn Neues Geist-reiches Gesang-Buch, auserlesene, so Alte als Neue, geistliche und liebliche Lieder, waaronder het ‘Erneure mich, du ewigs Licht’. Het lied werd ingekort tot vier coupletten:
De coupletten 1 en 2 zijn conform de oorspronkelijke tekst van Ruopp. Van couplet 3 zijn de laatste twee regels gewijzigd ten opzichte van het origineel, en dat geldt ook voor de regels 2 tot en met 4 van strofe 4. Liedbundels uit de achttiende en negentiende eeuw die niet de volledige tekst van Porst bevatten, hebben doorgaans deze liedversie uit Freylinghausens liedboek opgenomen.

In het Evangelisches Kirchengesangbuch (nr. 264) uit 1950 nam men de coupletten 1, 3 en 4 over uit het liedboek van Freylinghausen. Ten behoeve van het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 437) maakte Ad den Besten een vertaling van deze drie coupletten. Zijn vertaling is ongewijzigd in het Liedboek opgenomen
Het lied in de Nederlandse versie van Ad den Besten kent een ruime verspreiding. Het verscheen in officieel kerkelijke bundels uit rooms-katholieke en protestantse kring: Gezangen voor liturgie (1984/1996, nr. 538), Zingt Jubilate (editie 2006, nr. 610), het Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 821) en Laus Deo (2000, nr. 848). Tevens kwam het lied terecht in het Bavoliedboek (1979, nr. 208), de Petrus en Paulus bundel (1987, nr. 332), Youth for Christ liedbundel (1994, nr. 180), Op Toonhoogte (2005, nr. 247) en Weerklank (2016, nr. 468). In Laus Deo is de tekst niet alleen voorzien van de melodie uit het Liedboek, maar ook van de 134-ste Geneefse psalm. Deze psalmmelodie vergezelt ook het lied in de Petrus en Paulus bundel.

Inhoud

In de zestien coupletten van het oorspronkelijke lied wordt gebeden om vernieuwing van een fiks aantal menselijke vermogens en vaardigheden. In de oorspronkelijke drie strofen die ten grondslag liggen aan de vertaling van Den Besten, handelt het om vernieuwing van ‘hart en ziel’ (strofe 1: ‘lijf en ziel’), van ‘gehoorzaamheid’ (strofe 2: ‘doe ik vrolijk wat Gij vraagt’) en van ‘zinnen’ in de betekenis van redelijke vermogens (strofe 3). In de Nederlandse vertaling is alleen in strofe 3 het element van vernieuwing van ‘zinnen’ weggevallen. Wel heeft Den Besten in het slotcouplet nadrukkelijk teruggegrepen op de eerste strofe door het hernemen van de elementen ‘eeuwig licht’ (vergelijk ook ‘zon’ in regel 1), en ‘aangezicht’.
De eerste strofe bevat verwijzingen naar Wijsheid 4,26-27: ‘In haar [de wijsheid – JS] schittert het eeuwige licht, in haar wordt Gods kracht feilloos weerspiegeld en zijn goedheid afgebeeld. Ze is één maar kan alles, ze is onveranderlijk maar vernieuwt alles. Ze gaat over op elk volgend geslacht van vrome mensen en maakt hen tot vrienden van God, en tot profeten.’ In deze tekst treffen we de noties ‘eeuwig licht’ en ‘vernieuw Gij mij’ uit couplet 1 aan.
Duidelijk herkenbaar in couplet 2 zijn de woorden uit Psalm 51,12: ‘Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig’. Vooral in de strofen 1 en 3 wordt gerefereerd aan 2 Korintiërs 4,6: ‘De God die heeft gezegd: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus.’

Strofevorm

Het lied heeft de klassieke vorm van de ambrosiaanse hymne: vier regels van elk acht lettergrepen, met vier jamben per regel en een rijmschema van A-A-B-B.


Melodie

Herkomst

In de bundel van Johann Porst uit 1727 stond als wijsaanduiding boven het lied: ‘O Jesu Christ, mein’s Lebens Licht’ van Martin Behm. De vroegst bekende notatie van de melodie van dit lied is te vinden in Gesitliche Lieder (Königsberg 1597) van Johannes Eccard. Ook Freylinghausen verwijst in 1714 naar de melodie van Behms lied ‘Herr Jesu Christ, mein Lebens Licht’. (In veel uitgaven begon het lied met de uitroep ‘O’ in plaats van het woord ‘Herr’.) Van deze melodie waren diverse varianten in omloop.
Toch ging een andere melodie in de twintigste eeuw het lied van Ruopp vergezellen. In het Evangelisches Kirchengesangbuch (1950) werd namelijk gekozen voor een andere melodie, die ook bij het lied van Behm gecomponeerd was. De wijs verscheen voor het eerst in 1676 in het Nürnbergisches Gesang-Buch, darinne 1160, außerlesene, so wol alt als neue, Geist- Lehr- und Trostreiches Lieder (nr. 1107):
De redactie van het Duitse gezangboek besloot niet de oorspronkelijke melodieversie, maar die uit het Gesangbuch für die Evangelisch-Lutherische Kirche in Bayern (Nürnberg 1854, nr. 298) over te nemen:
Ten opzichte van de versie uit 1676 zijn diverse wijzigingen doorgevoerd. De meest belangrijke is dat de oorspronkelijke tweedelige maatsoort vervangen is door een driedelige maatsoort. De gepunteerde vierde noot van elke regel werd daartoe ingekort tot een halve. Ook werd de toonsoort gewijzigd van bes groot naar g groot.

Analyse

Het lied is een basso continuo-lied. Dat wil zeggen dat de melodie oorspronkelijk voorzien is van een baspartij, een basso continuo (zie de afbeelding hierboven uit het Nürnbergisches Gesang-Buch uit 1676). Hoewel nog niet zo sterk als in de achttiende en negentiende eeuw het geval was, leunt de melodie voor een deel op harmonieën.
De melodie heeft kenmerken die onder invloed van de barokke soloaria in het kerklied terecht zijn gekomen. Karakteristiek is bijvoorbeeld het structureel gebruik van doorgangsnoten en van gepuncteerde ritmen.

Van de vierregelige melodie, die in G groot staat, vormen regel 1 en 2 een eenheid. De eerste regel eindigt vragend op de a’, en wordt beantwoord in regel 2 die besluit op de grondtoon g’. Regel 3 laat de melodie dalen naar de dominant onder de grondtoon (d’), terwijl de slotregel via de subdominanttoon c” terugkeer naar de grondtoon.
De eerste drie regels hebben de omvang van een kwint. De ambitus van regel 4 is een kwart.
Regel 1 laat twee motiefjes (a en b) horen die in regel 3 weer terugkeren. In regel 2 horen we nieuwe motieven, waarvan motief c in regel 4 terugkeert, en motief d ook de regels 3 en 4 afsluit:
Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Schola Davidica Utrecht o.l.v. Lisette Bernt; Gert Oost, orgel (bron: KRO-NCRV)