Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

853 - Ik zoek U in den blinde


Een eerste kennismaking

De tekst van dit lied heeft een bijzondere ontstaansgeschiedenis. Ter gelegenheid van de 75e verjaardag van Willem Vogel in 1995, de belangrijkste componist van de Nederlandse kerkmuziek in de twintigste eeuw, werd aan een aantal dichters gevraagd om een lied te schrijven over een vogel die in de Bijbel voorkomt. Paul Begheyn (*1944) koos voor de arend die zeventien keer in het Oude Testament wordt genoemd, onder andere in Deuteronomium 32,11, waarin God wordt vergeleken met een zorgzame arend: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt, zo heeft de Heer zijn volk geleid’. Maar het is een lied geworden over een zoekende mens – ik tast de hemel af tot God mij vindt – én een zoekende God, die ver is én nabij. In de melodie van Gerrit Hoving (*1984) is het zoeken hoorbaar. De melodie stijgt stapsgewijs in de eerste drie regels en daalt daarna weer af. Ook het refrein kent die stijgende en dalende beweging, nu met iets meer sprongen om het een bevrijdend gevoel te geven.

Auteur: Pieter Endedijk


Paul Begheyn
Gerrit Hoving

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Over het ontstaan van dit lied wordt hierboven geschreven bij ‘Een eerste kennismaking’. Het lied werd allereerst gepubliceerd in Woord op wieken (Amsterdam 1995, 28), een liber amicorum voor Willem Vogel ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag. Daarin werd het lied genoteerd met een melodie van Marijke Bleij-Pel. Daarna werd het lied met dezelfde melodie opgenomen in Zingend geloven 6 (1998, nr. 28). De liedboekredactie vroeg Gerrit Hoving een nieuwe melodie te schrijven waarin het zoeken meer hoorbaar is.

Inhoud

Couplet 1

Het eerste couplet zet in met de woorden: ‘Ik zoek U…’. De relatie van de zanger en zijn God dient zich zonder omwegen aan. De ik-persoon zoekt zijn God, maar doet dat ‘in den blinde’. Van Dale geeft als betekenis ‘zonder iets te zien, blind’. Op internet wordt het woord ‘blindelings’ als synoniem genoemd. Dat woord heeft iets dubbelzinnigs. Een gezaghebbende leider kan blindelings (= vol vertrouwen) worden gevolgd. Hij kent de weg en zal deze ten goede leiden. Vergelijk Psalm 23,4: ‘Al gaat mijn weg door een donker dal (‘een dal vol schaduw van dood’ – Naardense Bijbel) … ik vrees geen kwaad, want u bent mij nabij’. Maar ‘blindelings’ kan ook ‘lukraak’ betekenen, zo van ik doe maar wat, zonder te kunnen zien waar ik ben of wat het uithaalt. Een blinde zoeker grijpt geen houvast, hij tast ernaar. Een zoekrichting is er wel: ‘naar boven’. Maar hoe de zanger de hemel ook aftast, de lucht blijft leeg. Het niet vinden houdt aan en er zit niets anders op dan te wachten ‘totdat Gij mij zult vinden in dit verlaten land’. Welke kleur heeft dit wachten? Spreekt er vertrouwen uit dat de Eeuwige ‘mij’ ten slotte zal vinden omdat Hij mij zoekt? Of overwegen wanhoop en gelatenheid? In welke stemming wordt het refrein ingezet?

Het refrein

De bede ‘Draag mij op uw vleugels’ verwijst naar het beeld van de Eeuwige die als een adelaar de jongen op zijn vleugels draagt (Deuteronomium 32,11). De adelaar is een majestueus dier. Hij is de koning van de vogels, die imponeert door de enorme spanwijdte van zijn vleugels. Hoog in de bergen heeft hij zijn nest. Wie onder zijn vleugels schuilt, is veilig en geborgen (vergelijk Psalm 91,3-4). Voor de dodelijk vermoeide mens is hij een bron van energie. ‘Wie hoopt op de Heer krijgt nieuwe kracht: hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar…’ (Jesaja 40,31). Het refrein verwijst naar de zorgzame arend die zijn jongen tegen gevaar beschermt. ‘Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij gebracht’. Dit zegt de Eeuwige tegen Mozes boven op de berg Sinai bij de verbondssluiting (Exodus 19,4). En natuurlijk denken we aan het al genoemde citaat in Deuteronomium 32,8-12. In die tekst heeft de Allerhoogste bij de verdeling van volken, landen en mensen Jakob in een dorre woestijn gevonden, in een niemandsland vol van gevaar. Dit volk, dit deel dat Hij zichzelf toemat, heeft Hij omringd met zorg en liefde. Hij heeft het gekoesterd als een oogappel. ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt (…), zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt, zo heeft de Heer zijn volk geleid’. Met deze laatste twee teksten bevinden we ons in de cyclus van de uittocht uit Egypte, in het bijzonder bij de verbondssluiting van God met Israël op de Sinai, en de weg naar de vrijheid van het beloofde land. Op dit beeld, dat wortelt in de kern van het verhaal van Israël en zijn God, doet de zanger een beroep. Eerst schetst hij de woestijn waarin hij zich bevindt om van daaruit tot zijn God te roepen: ‘Draag mij op uw vleugels / de vrijheid tegemoet’.

Couplet 2

In de volgende twee coupletten wordt dit beeld verder uitgewerkt. Het blinde zoeken maakt plaats voor ‘zien’. ‘Ik zie U in de verte. / Gij komt steeds dichterbij’. Nu we het beeld voor ogen hebben, zien we de adelaar met machtige, majesteitelijke slagen boven dat lege landschap naderen. ‘Uw schaduw overdekt me / met troost en tederheid’. Daar heb je die enorme vleugels weer. Ze brengen geen schaduw van dood, maar van troost en tederheid. Deze regels doen denken aan Liedboek 1008:1: ‘Rechter in het licht verheven, / koning in uw majesteit, / ( …) laat uw vleugelen ons omgeven, / troost ons met uw tederheid’.

Couplet 3

‘Gij, verre en nabije, / ik voel uw zachte bries / als Gij mij zoekt en ziet’. Bij die ‘zachte bries’ denken we aan de profeet Elia (een tweede Mozes, 1 Koningen 19). Elia trekt, ternauwernood aan groot gevaar ontkomen, veertig dagen en nachten door de woestijn naar de berg van God, de Horeb (= de berg Sinai). De Allerhoogste heeft hem gezien en roept hem uit zijn schuilplaats tevoorschijn. Hij ontmoet hem in een zachte bries. Hier, in dit couplet, klinken opnieuw de woorden ‘zoeken’ en ‘zien’. De Eeuwige heeft de zanger gezocht en gezien. Het lied eindigt met de bede: ‘Gij aan de hemel, wijs me / uw hoopvol nieuw verschiet’. De leegte maakt plaats voor de verwachting van nieuwe toekomst. ‘Draag mij op uw vleugels…’

Liturgische bruikbaarheid

Liedboek 853 is opgenomen in de rubriek ‘Levensreis’. Daar staat het in een groep liederen en gebeden waarin – langs grenzen en breuklijnen, tussen hoop en vrees – de dragende hulp van de Eeuwige wordt gezocht. In Liedboek 851 tot en met 861 vinden we vaak woorden als: ‘zoeken en gevonden worden’, ‘angst en pijn’, ‘wachten en verwachten’, ‘duisternis en licht’. De kwetsbaarheid van de mens is in het geding en de dood reist als een schaduw mee. Daarmee past dit lied in de laatste weken van het kerkelijk jaar, maar het kan ook op en over die grens als een adventslied worden gezongen (‘Troost, troost, mijn volk’, Jesaja 40,1-11). En natuurlijk in de veertig dagen tijdens de lange reis naar Pasen. Het ‘hoopvol nieuw verschiet’ (een Exodusmotief) trekt de ik-persoon vanuit ‘de woestijn’ naar het licht van de vrijheid.

Bij dit lied heb ik een pastorale aantekening In het eerste couplet is de overgang van het zoeken en niet kunnen vinden naar het refrein nogal abrupt. De tekst spreekt van ‘wachten’, maar die tijd geeft het lied je niet. Voor mensen die zulk zoeken als in een verlaten land (een bekend beeld voor rouwen) uit eigen ervaring kennen, kan deze sprong (te) groot zijn. Om de beweging die in dit lied wordt gemaakt, van de mens naar de Eeuwige en omgekeerd, beter mee te kunnen maken zou die gethematiseerd moeten worden. Het lied beschrijft een heel proces! Dat zing je niet zomaar even weg.

Als het lied in een groep wordt besproken, zul je zien dat mensen aan heel verschillende momenten kunnen blijven ‘haken’. Een ruimte-indeling (per couplet, met steeds het refrein ertussen) kan dit zichtbaar maken. Hier ligt kostbare gespreksstof over existentiële vragen. In een kerkdienst kan het lied ook in combinatie met een kyrie of smeekgebed worden gezongen.

Ik heb geprobeerd dit spanningsveld in een gedicht en een beeld te vangen (met dank aan een vrouw die in een workshop ‘lied schilderen’ een desolaat beeld schetste bij het eerste couplet, om bij het refrein op slot te gaan. Dat kreeg ze niet gezongen, laat staan geschilderd).

Het refrein komt me te vroeg,
ik ben nog niet bij
Die mij droeg*.

Ik dool nog onder lege lucht
in dat verlaten land,
ik zoek en tast, ik zucht.

Wacht toch met mij, en luister
naar wat ik niet meer zeggen kan
totdat de stilte fluistert: kom.

(* Huub OosterhuisVerzameld Liedboek. Kampen/Antwerpen 2004, 238-239.)

Auteur: Corja Bekius

Beeld: Corja Bekius, Ik zoek u in den blinde, acryl op pdf, 60 x 40 cm