Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

869 - Lof zij de Heer, ons hoogste goed


Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut

Johann Jakob Schütz
Ad den Besten
Johann Crüger

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. 

Johann Jakob Schütz liet dit lied in 1675 voor het eerst verschijnen in zijn Christliches Gedenkbüchlein zur Beförderung eines anfangenden neuen Lebens. Er zijn verschillende reminiscenties aan liederen uit de tijd der Reformatie, met name van Martin Luther (1483-1546) en Paul Speratus (1484-1551; zie voor hem bij Liedboek 966) in aan te wijzen, maar vooral opvallend zijn de vele toespelingen op het Oude Testament. Zo schijnt de refreinregel ‘Geeft onze God de ere!’ ontleend te zijn aan het Lied van Mozes (Deuteronomium 32,3), terwijl verder, behalve 2 Koningen 18,39 (strofe 1, regel 6), allerlei psalmregels bij Schütz een echo schijnen te vinden. Het lied als geheel maakt dan ook eerder de indruk van een psalm dan van een nieuwtestamentisch lied, – wat trouwens voor vele liederen uit het vroege piëtisme geldt. Het is in Duitsland zeer geliefd en behoort er zelfs tot de categorie der Hauptlieder.

Hoe geliefd het er wel is, en al sinds lang, moge blijken uit het feit, dat het in Karl May’s Unter Geiern (Nederlands: De zoon van den berenjager) uitdrukkelijk ter sprake komt: – Ik citeer uit de Nederlandse vertaling – Old Shatterhand is aan het woord: ‘U hoeft mensen niet te bedanken, u kunt beter onzen God daarboven danken, die u de kracht heeft gegeven de onbeschrijfelijke ellende te doorstaan. Wij zijn allen slechts zijn werktuig geweest. Laten wij allen ons gebed tot Hem opzenden, zoals het in ons mooie kerklied staat:

Ik riep den Heer aan in mijn nood:
‘Ach, God, Hoor naar mijn schreien!’
Toen redde Hij mij van den dood
en liet mij troost gedijen.
Daarvoor, o God, bedanken wij!
O, dankt toch, dankt toch God met mij!
Aan God, den Heer, de ere!

Hij had zijn hoed afgenomen en de woorden langzaam, luid en innig als een gebed laten klinken. De anderen hadden eveneens hun hoofd ontbloot. Het opperhoofd van de Sioux, dat geboeid op den grond lag, had met klimmende verbazing dit voorval gadegeslagen.’
Nietwaar, door zulke boeken wordt het jonge volkje nog eens op andere gedachten gebracht!

Auteur: Ad den Besten


Melodie

De zangwijs voor Schütz’ Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut is duidelijk beïnvloed door de intensieve bemoeienis van Johann Crüger met het Geneefse Psalter. Toen men hem in 1622 vanwege zijn aanleg tot componeren en zijn goede basstem (hij was voordien te Regensburg de leerling van de gedegen muziekonderwijzer Paul Homberger, zelf weer leerling van Giovanni Gabrieli) vroeg om cantor te worden in de Nikolaikirche in Berlijn, lag een dergelijke beïnvloeding bijna voor de hand. Weliswaar is hij in zijn verwachting, door de keurvorst Friederich Wilhelm van Brandenburg tot Domkapellmeister benoemd te worden, teleurgesteld (was hij te bescheiden? of toch nog ‘te luthers’?), maar hij kon zich hartelijk verenigen met de verzoeningsgezinde politiek van zijn gereformeerde landsheer. Zo heeft hij zich ook grondig verdiept in de Duitse vertaling van de Geneefse psalmen, waar de Königsberger jurist Ambrosius Lobwasser (1515-1585) aan was begonnen; in 1572 verscheen het complete Duitse rijmpsalter vierstemmig, en Lobwasser had daarin ook alle aandacht gegeven aan vooral de zettingen van Claude Goudimel. Crüger heeft een tijdlang gewerkt aan een nieuwe bewerking van dat gezangboek ten dienste van de reformierte Domgemeinde, vooral in de jaren 1656-1658. Niet weinig van zijn eigen naderhand geschreven melodieën dragen daar de sporen van.

Wat Liedboek 869 betreft: men moet daar de Geneefse psalm 118 naast leggen en zal dan aanstonds opmerken, dat Crüger weliswaar voor een lied in de zogenaamde Barvorm heeft gekozen, maar de regels 1-2 respectievelijk 3-4 hebben tonaal gezien een volkomen gelijk verloop: regel 6 bij Crüger is identiek aan regel 6 uit Genève, en ook de afsluiting van de melodie is bijna noot voor noot gelijk. Niettemin zijn de kleine ritmeverschillen veelbetekenend (Crüger begint zijn tweede respectievelijk vierde regel met een kwartrust, terwijl hij aan het eind van de regels überhaupt geen rusten aangeeft!), en met zijn vijfde regel (verhoogde c” wordt cis”!) doorbreekt hij het strakke renaissancistische patroon helemaal, – men ziet voor zijn ogen de nieuwe tijd geboren worden!

Auteur: W.G. Overbosch


Media

Uitvoerenden: Cantorij Groninger Studentenpastoraat o.l.v. Gerrit Jan Niemeijer; Johan Beeftink, orgel (strofen 1, 3, 6, 7) (bron: KRO-NCRV)