Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

877 - Ja, ik ben het beeld van onze maker


I reflect the image of the maker

Ruth C. Duck
Andries Govaart
Donna Kasbohm
Tune: WISDOM WAYS

Tekst

Ontstaan en verspreiding

In het Liedboek is een tweetal liederen opgenomen van de Amerikaanse dichter en hoogleraar Ruth C. Duck, afkomstig uit haar liedbundel Circles of Care (New York, 1998). Het eerste is Liedboek 849 ‘Zoek de wegen van de wijsheid’, dat in veel kerkelijke liedbundels wereldwijd terecht gekomen is. Het tweede is dit lied, ‘Ja, ik ben het beeld van onze maker’, dat nog niet eerder in een kerkelijk liedboek is verschenen. Het werd aangedragen door de supervisiegroep ‘Gender’ van de PKN en, net als Liedboek 849, van een vertaling voorzien door Andries Govaart.

In Circles of Care schrijft Ruth C. Duck over dit lied, dat in 1993 ontstond: ‘Het boek She Who Is van Elizabeth A. Johnson vormt een aansporing om vrouwelijke beeldtaal te gebruiken om een traditie die focust op mannelijke beelden aan te vullen. Het inspireerde tot de tekst ‘I Reflect the Image of the Maker’. Voortdurend gebruik van mannelijke beeldtaal voor God maakt het voor vrouwen moeilijk om te ervaren wat het betekent om gemaakt te zijn ‘naar het beeld van God’. Deze simpele tekst, met een ingetogen melodie, viert het goddelijke beeld in alle mensen en prijst de Schepper.’

She Who Is

De genoemde Elizabeth A. Johnson, ordelid van de ‘Zusters van Sint Joseph’ in Brentwood (New York), is in de Verenigde Staten een zeer vooraanstaand rooms-katholiek theoloog. Ze was hoogleraar aan de jezuïtische Fordham University en staat bekend om de wijze waarop zij de klassieke katholieke theologie probeerde te integreren met begrippen als ‘ervaring’ en ‘emancipatie’, alles gericht op de voor haar orde zo kenmerkende zoektocht naar een ‘inclusieve en creatieve christelijke spirituele doctrine’.

De van oorsprong Franse en aan de jezuïeten gelieerde Zusters van Sint Joseph omschrijven hun spiritualiteit als ‘geworteld in het evangelie waar ons in het bijzonder de barmhartigheid treft van Jezus die één was met de armen, met wie lijden en worden onderdrukt.’ Dat evangelie van Gods genade, vergeving en inclusieve liefde spoort hen aan ‘te werken aan een wereld van gerechtigheid waarin allen zullen leven in eenheid met God en met elkaar’. Ze verstaan hun zoektocht naar God niet alleen als een persoonlijke uitdaging, maar ook als ‘een bijdrage aan de gemeenschap van al wat leeft’.

In het boek She Who Is – haar eerste uitgebreide poging om te komen tot een ‘inclusieve geloofsleer’ – voert Johnson een pleidooi om de theologische taal ‘op te rekken’ en het repertoire van godsbeelden te verbreden door vrouwelijke symbolen in het spreken over het goddelijke mysterie in te voegen. Alleen ‘vrouwelijke’ kwaliteiten toeschrijven aan een God die nog steeds vooral als een mannelijke persoon wordt voorgesteld, of door een ‘vrouwelijke’ dimensie in God te onthullen (wat dan vaak gebeurt middels de derde persoon van de Drie-eenheid, de heilige Geest), werkt voor haar niet. Er is dan immers nog steeds sprake van twijfelachtige stereotypering van bepaalde menselijke kenmerken en het maakt het begrip ‘sekse’ op zichzelf tot een in haar ogen onbestaanbare eigenschap van God (God is man noch vrouw). Daarom omvat voor Johnson een oprechte manier van spreken de volheid van ‘zowel de vrouwelijke als de mannelijke mensheid en de kosmische realiteit om op gelijkwaardige manieren als goddelijk symbool te dienen’.

Vorm en inhoud

In de eerste strofe van het trinitarisch opgebouwde lied noemt Duck de titel van Johnsons boek letterlijk:

I reflect the image of the Maker
spark of all creative flame,
she who is and always will be.
Praise her name! Praise her name!

De tekst refereert aan het geschapen zijn van de mens ‘als beeld van God’ en benoemt meteen, in de taal van Johnson en de Zusters van Sint Joseph, de ‘creativiteit’ die met het scheppen van God is meegegeven: wij zijn een ‘vonk van een creatieve vlam’. ‘Praise her name’ is de bondige uitroep na die vrolijke vaststelling.

In de tweede strofe doet Duck een poging om de tweede persoon van de Drie-eenheid vrouwelijk te duiden en ze gebruikt daarvoor het woord ‘christa’, de vrouwelijke vorm van ‘christus’, dat letterlijk ‘gezalfde’ betekent en dus zowel mannelijk als vrouwelijk kan zijn:

I reflect the image of the Christa,
love embodied on the earth,
she who calls the world to justice.
Praise her worth! Praise her worth!

Duck duidt de tweede persoon van de Drie-eenheid dus niet ‘klassiek’, als de concrete mens Jezus van Nazaret, de Zoon van de Vader, maar als een meer algemeen en filosofisch bepaald begrip: ‘vleesgeworden liefde op de aarde’, ‘zij die de wereld roept tot gerechtigheid’, waarbij de vraag oprijst of deze verwoording van de menswording niet juist abstracter wordt in plaats van breder verstaanbaar, en er toch niet vrouwelijke tegenover mannelijke beelden worden uitgespeeld, iets dat de praktijk van het zingen en bespreken van dit lied zou kunnen uitwijzen.

In de derde strofe bezingt Duck ten slotte het beeld van de Geest, als adem en wind die ons aanblaast tot vrijheid, en die onze gids is op onze weg:

I reflect the image of the Spirit,
breath and wind who blows us free,
she who gently guides our journey.
Praises be! Praises be!

De drie coupletten verenigen zo samen tweemaal een drieslag aan godsbeelden die in ons kunnen worden gereflecteerd: de Schepper als creatieve vlam die niet dooft, de Gezalfde als belichaamde liefde die ons roept tot gerechtigheid, en de Geest als gids op onze reis die ons adem en vrijheid geeft. Beelden die nauw aansluiten bij de missie van de Zusters van Sint Joseph en zo een eerbetoon vormen aan het werk van Johnson.

Vertaling

Andries Govaart maakte van het lied een vrije vertaling, waarin hij op eigen wijze met de gekozen beeldtaal omgaat en de vorm van de strofes enigszins heeft aangepast. Hij schrijft daar zelf het volgende over:

I reflect the image of the maker, hoe vertaal je dat? Ik weerkaats, ik weerspiegel, ik geef weer, ik laat zien, kan allemaal. Letterlijk is het: reflecteren terugbuigen, weer buigen. Ik als mens word geschapen naar het beeld van God én laat dat ook weer aan de Schepper zien; dat is de prefix ‘re’. Dan kun je ook afzien van dat beeld van de spiegel, maar zingen: ik ben hier, ik ontvouw, ik onthul het beeld van de maker. Dan klinkt het minder platonisch, maar zelfbewuster.
De stap naar het plezier dat door klinkt in de positieve bevestiging: ‘Ja, ik ben het beeld van onze maker’, is dan nog maar klein. In het ‘ja’ klinken instemming en herkenning (verwant met reflect). Door de oproep om te prijzen van de vierde naar de derde regel te brengen kan de inhoud van de lofprijzing wat uitgewerkt worden.
De vrouwelijke vorm van Christus Christa overnemen was een stap te ver. Vandaar de klassieke vertaling de gezalfde. De geest wordt in het derde couplet wel weer als ‘zij’ beschreven’ (E-mailbericht van Andries Govaart aan Pieter Endedijk d.d. 8 september 2015).

In de eerste strofe is in de vertaling de ‘creatieve vonk’ verdwenen. Govaart noemt de Schepper (Maker) als ‘moederschoot van al wat leeft’. In de derde regel plaatst Govaart dan de oproep ‘Prijs haar naam’ om vervolgens met een redengeving te besluiten: ‘die nu en altijd adem geeft’, vooruitwijzend naar de Geest die Duck in haar derde strofe aanduidt als ‘breath’. In de tweede strofe, over de Gezalfde, benoemt Govaart niet alleen de liefde en het lichaam, maar ook reeds de weg waarover de Geest ons, in strofe 3, kalm en rustig leidt, stuwt en meetrekt. Die weg wordt verbonden met de oproep tot gerechtigheid: ‘leef oprecht’. Het aanblazen tot vrijheid van de Geest wordt verdisconteerd in de slotregel van de vertaling: ‘zij bevrijdt.’

Bij Engelstalige liederen is het gebruikelijk het metrum te noemen: 10.7.8.6. Het rijmschema is zowel in het origineel als in de vertaling: a-B-c-B.


Melodie

De melodie van dit lied is, net als bij Liedboek 849, geschreven door Dona Kasbohm. De naam van de tune, WISDOM WAYS, verwijst naar het gelijknamige centrum voor spiritualiteit van de Zusters van Sint Joseph in Minneapolis-St. Paul (Minnesota), waar Kasbohm voor werkt.

De melodie, die door Duck als ‘reverent’ (eerbiedig, ingetogen) werd omschreven, staat in D-groot en is genoteerd in een rustige 4/4-maat. Kenmerkend is het beginmotief dat in elke regel gelijk is: fis’-g’-a’. De wisselende ritmische constellatie (regel 1 en 3 zijn gelijk, 2 en 4 wijken af) is er waarschijnlijk de oorzaak van dat het motief toch steeds als ‘nieuw’ wordt ervaren. De regels 1 en 3 eindigen ook op de zelfde manier, regel 3 is een vereenvoudigde vorm van regel 1. De staart van regel 2: cis”-a’-b’ (de doorgangsnoot weglatend) wordt in regel 4 beantwoord met e’-fis’-d’, zij het pas in de laatste strofe. De eerdere strofen eindigen met als e’-fis’-e’ op de dominant (V), waardoor een natuurlijke, ononderbroken gang door het hele lied wordt bewerkstelligd.

De door Kasbohm voor piano geschreven begeleiding bij het lied – waarin door de vele achtste noten blijkt dat het tempo niet te hoog moet worden genomen – gaat helaas wat mank door een ongelukkige harmonisatie. De daarvoor in de plaats gemaakte orgel- en koorzetting door Christiaan Winter, die in de begeleidings- en koorbundel zijn opgenomen, hebben dat probleem niet en ondersteunen de melodie op een fraaie en bij de stijl passende wijze.


Liturgische bruikbaarheid

Het lied is opgenomen in de rubriek ‘Bidden’ (subrubriek ‘Loven en danken’) en zou, naast een viering waarin de thematiek van het ‘beeld van God’ zijn centraal staat, ook in allerlei pastorale situaties een dankbare rol kunnen spelen. Waar het spreken over God, gender of identiteitsvraagstukken actuele gespreksonderwerpen zijn, zouden dit lied en de achterliggende reflecties van Johnson en Duck, een mooi uitgangspunt voor gesprek kunnen zijn.

Auteur: Cees-Willem van Vliet