Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

898 - Een vaste burcht is onze God


Ein feste Burg ist unser Gott

Martin Luther
Ad den Besten Jan Wit
Martin Luther Wittenberg 1533

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. 

Al vroeg in mijn jeugd heb ik een zekere afkeer gehad van dit lied, dat destijds in de Hervormde Kerk nog als het Lutherlied bij uitstek gold. De manier waarop het op de eenendertigste oktober in de Utrechtse Dom werd gezongen: als een martiale strijdzang tegen de steeds krachtiger opdringende roomsen – want wat maakten de mensen in die tijd zich een zorgen over de snelle verroomsing van ons vaderland! – die onverzettelijke manier van zingen vervulde mij met een mengsel van vage angst en weerzin.

Tijdens de oorlog werden die gevoelens in mij nog verhevigd en versterkt. Ik bracht toen ruim een jaar in Berlijn door, en daar overkwam het mij, dat het lied werd aangeheven in de énige door mij bijgewoonde kerkdienst, waarin een echte ‘Duitse Christen’ voorging. Ditmaal fungeerde het echter niet als een strijdzang tegen de roomsen, maar tegen de opdringende Russen, – het was ná Stalingrad! Zomin als ik in mijn jeugd pro-rooms was geweest, zomin was ik toen heimelijk pro-russisch, – de bevrijding moest maar uit het westen komen, vond ik, vooral niet uit het oosten. Maar ik had ineens het gevoel, dat het ‘Lutherlied’ eigenlijk niets anders was dan een soort kerkelijk ‘Horst Wessel’-lied. Ik herinner me nog de huivering die mij over de rug liep. Als de kerk dan al strijdzangen nodig had, dan zouden het toch liederen moeten zijn, waarin niet allerlei onheilig wapengekletter doorklonk, maar liederen waarin als het ware de geestelijke wapenrusting van de militia Christi, geloof, hoop en liefde, tot klinken zou komen! Dat werd mij in die Duits-nationale kerkdienst opeens duidelijk, en ik projecteerde dat inzicht onmiddellijk terug op mijn jeugdervaringen met ‘Een vaste burcht’. Het bracht met zich mee, dat ik voorlopig ook de andere liederen van Martin Luther met enig wantrouwen bezag.

Goddank, zijn de tijden veranderd. Op de Hervormingsdag wordt ‘Ein feste Burg’ nauwelijks meer gezongen, – tenzij dan met roomskatholieken samen! En zelfs de zozeer met het christelijke avondland gepreoccupeerde revanchisten in de huidige Bondsrepubliek kunnen er niets meer mee beginnen, nu (en doordat) de melodie tot haar oorspronkelijke vorm is teruggebracht, – het laat zich eenvoudig niet meer zingen als het aloude marslied der protestantse christendommelijkheid. Daardoor kwam voor mij tenslotte de weg vrij om het op een andere wijze te benaderen en op een nieuwe wijze te horen. Ja, ik ontdekte, dat het eigenlijk een prachtig, een welhaast onvertaalbaar prachtig lied is. Vandaar dan ook, dat ik mij er pas laat aan gewaagd heb, – en dan nog: niet in mijn eentje, maar met Jan Wit samen.

Wanneer Luther dit beroemdste van zijn liederen heeft gedicht, is onduidelijk. Het behoort niet tot de oogst van het Wittenbergse ‘liederenjaar’ 1524, laat staan dat het al in 1521 tijdens de Rijksdag van Worms zou zijn ontstaan, zoals de legende wil. Vóór 1528 zijn er geen bewijzen van zijn bestaan. Wilhelm Lücke meent op goede gronden te mogen aannemen, dat het tussen 1526 en 1528 geschreven is. Dat was een tijd vol persoonlijke aanvechting in Luthers leven, een tijd bovendien waarin verscheidene van zijn vrienden door de pest werden weggerukt. Lücke heeft aangetoond, dat de woorden en beelden van het lied een grote mate van overeenkomst hebben met de bewoordingen, die we in deze periode in enkele van Luthers brieven aantreffen. Dat de reformator zijn lied tegen de Paapsen of Turken zou hebben gedicht, ligt dus niet zeer voor de hand, waarschijnlijker is, dat het zich richt tegen de duivelen, waardoor hij zich in zijn persoonlijk leven bedreigd voelde. Dat het lied overigens al vroeg als dé protestantse strijdzang bij uitnemendheid heeft gefunctioneerd, heeft een andere oorzaak. Als zodanig blijkt het al in 1531 zó algemeen te zijn gezongen, dat het voor de tegenstanders van de reformatie zin had, het te parodiëren.

Luther schreef boven zijn lied: Der 46. Psalm. – Deus noster refugium et virtus. Een psalmberijming dus? Nee, hoogstens een zeer vrije nadichting van de 46ste Psalm. Theologisch is het een belangrijke kwestie, in hoeverre het gerechtvaardigd is, in de psalmen de naam van Jezus Christus in te voeren, zoals vooral de Duitse bewerkers van psalmen sinds Luther, en op voorgang van Luther, onophoudelijk hebben gedaan. Voor ons is het een nieuwtestamentisch lied, waarvoor de dichter gebruik heeft gemaakt van aan Psalm 46 ontleende beelden en voorstellingen.

Auteur: Ad den Besten


Melodie

Tot dusver heeft Luthers beroemde lied ‘Een vaste burcht is onze God’ ook bij ons gefungeerd als een protestants volkslied, een ‘lutherse internationale’ en als een strijdlied, geknipt voor herdenkingsdiensten van de kerkhervorming. De tekst, hoewel gebaseerd op Psalm 46, leek dit, vooral in sommige vertalingen, wel te rechtvaardigen. Algemeen werd immers aangenomen, dat met ‘de vorst van het kwaad’ en de ‘aartsvijand’ de paus was bedoeld. En vooral ook de melodie, zoals we haar kenden, droeg ertoe bij het lied in de martiale sfeer te trekken. Werden de beginnoten niet vergeleken met de ‘dreunende klank van klokken’ en sprak Paul Althaus niet van een ‘heldenlied’, dat ‘met machtige schreden in majesteitelijke kracht en zekerheid als een geharnast strijder voortschrijdt’?

Heden ten dage weten we niet alleen meer af van de zin van Luthers tekst en haar verhouding tot Psalm 46, maar kennen wij ook weer de oorspronkelijke vorm van Luthers eigenhandig geschreven melodie, met haar authentieke ritmiek. Nadat die in het Evangelisches Kirchengesangbuch van 1950, het Evangelisch Lutherse Gezangboek van 1955 en ook in andere Europese gezangboeken in ere was hersteld, is zij ook in het Liedboek voor de kerken de pas uit de achttiende eeuw stammende verbasterde isometrisch vervormde zangwijs komen vervangen.

Er is geen enkele twijfel aan, dat Luther deze melodie geschreven heeft, zoals ze nu in de nieuwe gezangboeken staat. In deze vorm, met dit melodische verloop en in dit ogenschijnlijk zo gecompliceerde ritme. Bij andere liederen moge wel eens de vraag gerechtvaardigd zijn of hun ritmische gestalte niet het gevolg is van hun fungeren als tenor in een polyfone zogenaamde Kantorei-Satz, met andere woorden of hun melodieën in een vroeger stadium wellicht eenvoudiger zijn geweest, van dit beroemde lied geldt nu juist dat zijn oudste melodiebron niet te vinden is in een of andere meerstemmige en kunstzinnige zetting, maar in het éénstemmige zogenaamde Klugsche Gesangbuch, de tweede druk van 1533, die hoogstwaarschijnlijk een ongewijzigde herdruk is van de eerste uitgave van 1529. (Vergelijk Konrad Ameln: Die älteste überlieferung der Weise ‘Ein feste Burg ist unser Gott’ in het Jahrbuch für Liturgik und Hymnologie, 1. Jahrgang, Kassel 1955, S. 110-112). Opmerkelijk is, dat zij in de oudste zogenaamde ‘cantorijvorm’, die pas van 1540 dateert en op naam staat van Johann Kugelmann, net zo, dus ongewijzigd, dienst doet!

Staat dus volstrekt vast dat Luther deze melodie zo geschreven, gevormd en bedoeld heeft als in het Liedboek weergegeven, evenzeer is dan zeker, dat de hervormer zijn lied geenszins het karakter van een strijdlied heeft meegegeven. De massieve noten van de achttiende en negentiende eeuw, waarmee de oudere generatie is opgegroeid en waaraan zij per traditie wellicht hecht – zijn niets anders dan de plompe en lompe vervalsingen van een ranke melodiek die de tekst van ‘Een vaste burcht’ oorspronkelijk en bijna twee eeuwen lang heeft vergezeld en die een interessante achtergrond heeft.

Walter Blankenburg heeft de melodie van ‘Een vaste burcht is onze God’ vergeleken met enkele andere liederen van Luther, met name met diens Ein neues Lied wir heben an, Vom Himmel hoch, da komm ich her (Liedboek 469), Jesaja dem Propheten das geschah (Liedboek voor de kerken gezang 24 ), alsmede met All morgen ist ganz frisch und neu (Liedboek 207) van Johannes Zwick (±1496-1542).

En wat was zijn conclusie? Dat al deze melodieën, die ten eerste alle in de ionische octaafruimte zijn geschreven en ten tweede gemeen hebben, dat zij met een korte inzet hoog op het octaaf beginnen om dan geleidelijk via de kwint tot de grondtoon te dalen, verbonden zijn met teksten die iets willen aankondigen, proclameren, verkondigen! En dat zij als gemeenschappelijke ‘stam’, de beroemde Silberweis van Meistersinger Hans Sachs (1494-1576) hebben. We kunnen echter nog een stapje verder gaan. Want Ursula Aarburg heeft ontdekt, dat de hoge initiële inzet van ‘Een vaste burcht’ en zijn verwante melodieën, herinnert aan het liedtype der Franse troubadours, in het bijzonder aan Peire Vidal’s Quant hom honratz torna en gran paubreira (± 1200), en zij verklaart het typische verloop van deze hoog beginnende en dan meteen dalende melodieën als een muzikale vraag om aandacht, als een oproep tot attentie. En klopt zulk een interpretatie niet als we bedenken, dat de ermee corresponderende Silberweis van Sachs ook een tekst dient die met de woorden begint Salve, ich grüß dich schone? Het is misschien wat gewaagd te veronderstellen, dat Luther met zulk een ‘lokkend’ melodietype zijn kerk en gemeente heeft willen aanspreken, dat hij er zijn ‘geliefde gemeente’, of, zoals hij de kerk noemde, die werte Magd mee heeft willen verleiden tot luisteren, tot aandacht voor wat hij in zijn vrije bewerking van Psalm 46 te zeggen had. Maar het is zeker niet misplaatst te stellen, dat de herontdekking van de authentieke melodie van ‘Een vast burcht is onze God’ en haar wederinvoering in de praktijk van de gemeentezang, eens en voor goed afrekent met de gedachte dat Luthers meest bekende lied een strijdlied zou zijn, dat zich als zodanig zelfs de bijnaam van ‘Onze lieve Heers dragondermars’ verwierf en daardoor een karikatuur is geworden van wat het lied in wezen was en ook wilde zijn. Er zijn tal van aanwijzingen, dat het lied, voordat dit het trieste stadium van de rationalistische Abplattung bereikte, steeds als een liturgisch psalmlied heeft gefungeerd. Dat bewijzen de verschillende ‘gloria patri’-strofen, die er in het verleden aan zijn toegevoegd.

En er zijn even zovele bewijzen, dat de ‘moeilijke’ ritmiek, waartegen nu wellicht menigeen nog bezorgd aankijkt, geen belemmering behoeft te vormen om het in deze eer te herstellen. Want de lutheranen die het in de achttiende en negentiende eeuw in deze melodievorm mee naar Amerika namen, hebben het, blijkens hun hymnals, daar ononderbroken zo gezongen, en zij die het nu in Europa weer in de oorspronkelijke melodievorm voorgezet hebben gekregen, hebben er ook terstond wel raad mee geweten. Het is ook de moeite waard om van Luthers ‘strijdlied’ weer een kerklied te maken! En dan niet voor een bijeenkomst op 31 oktober, maar voor een eredienst, bijvoorbeeld op zondag Invocabit, wanneer het bijzonder bij de schriftlezingen past!

Auteur: Willem Mudde


Media

Uitvoerenden: Interkerkelijk Koor Zevenmaal Hardenberg o.l.v. Mathijs Kraan; Dennis Vallenduuk, orgel (bron: KRO-NCRV)