Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

906 - God is tegenwoordig, God is in ons midden


Gott ist gegenwärtig

Gerhard Tersteegen
Jan Willem Schulte Nordholt
Joachim Neander
Wunderbarer König

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. 

In zijn boekje Geistliches Blumengärtlein, waarin hij zijn liederen en spreuken heeft verzameld, heeft de vrome dichter Gerhard Tersteegen boven dit lied geschreven als titel: Erinnerung der herrlichen und lieblichen Gegenwart Gottes. Daarvan was hij vervuld, van de aanwezigheid Gods, men vindt het in zijn werk telkens weer. God is een en al majesteit en Hij is toch bij ons, dat is het wonder waarvan Tersteegen getuigen wil. Uiteraard is dat een oud thema dat al klassiek onder woorden is gebracht in Psalm 139 en die psalm moet de dichter ook wel voor de geest hebben gestaan toen hij zijn lied schreef, vooral aan het slot wordt dat duidelijk. Zoals de psalmist spreekt hij het uit: ‘Gij kent mijn zitten en mijn staan’. Maar het karakter van ons gezang is anders dan de psalm. In de benadering van het mysterium tremendum ac fascinans ligt hier niet meer de nadruk op het ontzagwekkende, al is dat element wel aanwezig, maar op het boeiende. Gods aanwezigheid wordt geestelijker begrepen, mystieker.

De traditie van de middeleeuwse mystiek lijkt inderdaad in zijn lied te herleven. Men wordt herinnerd aan Johannes Taulers: ‘Als God spreekt moeten alle dingen zwijgen’. En aan meester Eckhardt: ‘In het reinste wat de ziel te bieden heeft, in haar grond, kortom in het wezen der ziel, daar heerst het diepe zwijgen… Als God zijn woord in de ziel spreekt dan moet zij in waarheid tot vrede en tot rust zijn gekomen’. In dezelfde mystieke trant heeft Tersteegen in een ander gedicht, zowaar in het Nederlands, geschreven:

Ik sink so inniglijk in Uw,
mijn eenig Goed in ‘t stille Nu,
in mijnen Grond beneeden
daar leef ik buijten plaats en Tijd,
van mij en alle Schepsels wijd
met Uw alleen te vreeden.

Dat vindt men ook in dit lied:

Luft, die alles füllet,
drin wir immer schweben,
aller Dinge Grund und Leben,
Meer ohn Grund und Ende,
Wunder aller Wunder:
ich senk mich in dich hinunter.

Maar die Versenkung is niet het enige element van het lied. Dan zou het nauwelijks als kerklied aanvaardbaar zijn. Nee, de spanning en kracht van het lied wordt juist bepaald door de aanwezigheid van ook precies de tegenovergestelde gedachte: God is ook de hoogste majesteit, die ik als sterveling nooit voldoende, nooit adequaat prijzen kan. De aanwezigheid Gods, majesteitelijk en innig, leidt tot loutering. Dat is de toepassing die in Tersteegens lied is aangebracht en het is een hoogst persoonlijke toepassing. Het lied roept niet op tot sociale verantwoordelijkheid, het is helemaal besloten binnen de enge cirkel van de ontmoeting van de enkele mens met God. In een brief aan een vriend schreef Tersteegen: ‘Alles wat in mij is neigt tot afzondering en eenheid in en met God. O dat is leven, zo te kunnen leven’. Aldus in 1748 meer dan twintig jaar nadat hij zijn lied gedicht had. En weer veel later, in 1766: ‘De levende ervaring van een zo al genoegzame, innig nabije God gaf mij een diepe en steeds blijvende grondige begeerte om gaarne afgezonderd en met deze God alleen te zijn’. En toch mogen wij zeggen dat ondanks deze sterke betrokkenheid op het ik, Tersteegen een kerklied gedicht heeft, want het persoonlijke staat hier voor het algemene en alle enkelingen worden gevangen binnen dezelfde grote werkelijkheid van Gods nabijheid. Ondanks de verbijzondering houdt het lied zijn algemene karakter en is dan ook al spoedig in de Duitse kerken gezongen. Nikolaus Ludwig von Zinzendorf (1700-1760) zette het al in 1731 in een bundel van de Broedergemeente, John Wesley (1703-1791) vertaalde het enige jaren later, en zo is het zijn zegetocht begonnen in de christelijke gemeente (zie ook de ‘Hervormde Bundel 1938’, gezang 265). Het lied van de ingetogen piëtist heeft uitdrukking kunnen geven aan wat ontelbare opgetogen kerkgangers ten diepste beroerde.

Auteur: Jan Willem Schulte Nordholt


Melodie

De melodie van Gerhard Tersteegens lied Gott ist gegenwärtig (Evangelisches Gesangbuch 165) is oorspronkelijk die van Joachim Neanders Wunderbarer König (Evangelisches Gesangbuch 327). Het laatstgenoemde lied was in 1680 verschenen in de bundel Bundeslieder und Dankpsalmen, waarin ook Neanders bekende Lobet den Herren, den machtigen König der Ehren (Liedboek 868) voorkwam. Oorspronkelijk waren deze liederen niet rechtstreeks voor gemeentezang bedoeld, maar, zoals de samensteller opmerkt: ... zu lesen und zu singen auf Reisen, zu Haus oder bei Christenergötzungen im Grünen... Voor allerlei gelegenheden dus!

We mogen Neanders auteurschap van deze melodie veronderstellen, geheel zeker is dat echter niet. Zijn aanduiding: ... neu gesetzt nach bekannt- und unbekannter Sangweisen doen eigen melodieën in deze verzameling vermoeden.

De notatie van deze Barvormmelodie is teruggebracht tot de oorspronkelijke. Het aanvankelijk (in 1680) bedoelde tempo wordt nu duidelijk gesuggereerd. Stond in de ‘Hercormde Bundel 1938’ (gezang 265) het lied in 4/4-maat en de notatie Evangelisches Gesangbuch in een 2/2-maat (beide met kwartnoten en halve noten), thans is die in 4/4-maat met achtsten en kwarten.

De melodie krijgt daardoor een veel levendiger karakter (... im Grünen zu singen?) De regelafsluitingen van de beide Stollen hebben in later tijd wijzigingen ondergaan (zo ook het slot van de melodie), doch kregen nu weer de oorspronkelijke vorm.

Auteur: Evert Westra


Media

Uitvoerenden: Cappella pro Cantibus o.l.v. Cor Brandenburg; Jaco van Leeuwen, orgel (strofen 6, 7, 8) (bron: KRO-NCRV)