Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

90a - O God, die droeg ons voorgeslacht


O God, our help in ages past

Isaac Watts
Evert Louis Smelik
1708
Tune: ST. ANNE

Tekst

Ontstaan en verspreiding

De auteur van deze beroemde bewerking van Psalm 90 is Isaac Watts (1674-1748), die hem publiceerde in zijn The Psalms of David Imitated in the Language of The New Testament And Applied to The Christian State and Worship (1719).

In deze bundel had Watts geprobeerd de inhoud van de psalmen aan te passen aan het christelijk geloof en ze op deze wijze te kerstenen. Dit is echter minder expliciet merkbaar in zijn parafrase van Psalm 90,1-6 (zie bespreking van de tekst). Het lied kreeg al snel een bredere verspreiding, onder andere door opname in de Collection of Psalms and Hymns die in 1738 door John Wesley (1703-1791) werd gepubliceerd. Deze veranderde het eerste woord van vers 1 en vers 6, namelijk Our in O, waardoor het oorspronkelijke Our God our help in ages past veranderde in O God our help… Het zou kunnen dat Wesley deze ingreep pleegde omdat in het oorspronkelijke eerste couplet het woord our vijf keer voorkwam, en dat in een vierregelige strofe:

Our God, our help in ages past,
Our hope for years to come,
Our shelter from the stormy blast,
And our eternal home.

Deze verandering werd door de meeste latere bundels overgenomen (waaronder het Liedboek), andere die Wesley ook aanbracht niet.

Het lied heeft in Engeland zijn plek gevonden in de harten van het Britse volk doordat het zeer vaak opgenomen is in de liturgie van de vieringen op Remembrance Day, de herdenking van de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Dr. John Julian zei echter al in 1892 in zijn Dictionary of Hymnology (blz. 875) dat it would be difficult to write too highly over deze hymne, want hij vond het een van Watts beste liedteksten en zijn beste parafrase.

De vertaling is van Evert Louis Smelik, en verscheen voor het eerst in de bundel Laudamus (Rotterdam 1932, nr. 26) van M. van Woensel Kooy. Smelik had in het Asser conflict partij gekozen voor Geelkerken en tegen de synode, en was predikant geworden bij het zogenaamde Hersteld Verband. Voor dit kerkgenootschap werkte hij samen met G.W van Deth en H. Hasper aan de bundel Gezangen, nevens de psalmen in gebruik bij de Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband) (1933), waarin ook Watts bewerking van Psalm 90 werd opgenomen (gezang 29), zij het in een nieuwe vertaling van Hasper. Vervolgens kwam het (weer in de vertaling van Smelik) terecht in de ‘Hervormde Bundel-1938’ (gezang 293) en in het Liedboek voor de Kerken (1973, gezang 397). Niet onvermeld mag blijven dat het ook in één Nederlandse rooms-katholieke bundel is opgenomen, namelijk in Laus Deo (2000, blz. 1146).

Inhoud van de tekst

Het bovenschrift boven de psalmbewerking luidt: Man frail and God eternal. Het kende oorspronkelijk negen strofen, waarvan het vierde, zesde en achtste in latere bundels meestal werden weggelaten. Deze luidden:

Thy word commands our flesh to dust,
‘Return, ye sons of men:’
All nations rose from earth at first,
And turn to earth again.

The busy tribes of flesh and blood,
With all their lives and cares,
Are carried downwards by the flood,
And lost in following years.

Like flowery fields the nations stand
Pleased with the morning light;
The flowers beneath the mower’s hand
Lie withering ere ‘tis night.

Ook de vertaling beperkt zich tot de overgebleven zes strofen. In het lied zijn de eerste zes verzen van (de onberijmde) Psalm 90 duidelijk terug te lezen: our help in ages past – een toevlucht van geslacht op geslacht, before the hills in order stood, or earth received her frame – nog voor de bergen waren geboren, voor u aarde en land had gebaard, from everlasting Thou art God, to endless years the same – U bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, a thousand ages in Thy sight are like an evening gone – duizend jaar zijn in uw ogen als de dag van gisteren die voorbij is, enzovoort. Van een christologische herschrijving is in deze psalm niets te merken; wel spreekt Watts in zijn tweede strofe (die geen parafrase is van een vers uit de onberijmde psalm) van heiligen:

Under the shadow of thy throne
Thy saints have dwelt secure;
Sufficient is thine arm alone,
And our defence is sure.

Van een eeuwig huis (‘wees eeuwig ons tehuis’) is overigens in de psalm geen sprake. Dat komt zowel in het eerste als de laatste strofe voor, waartussen de psalmbewerking is in geklemd, maar lijkt eerder te zijn ontleend aan Prediker 12,5: ‘Een mens gaat naar zijn eeuwig huis’.


Melodie

William Croft, schilderij door Thomas Murray (1663-1734) 

Algemeen wordt aangenomen dat de melodie gecomponeerd is door William Croft (1678-1727), die vanaf 1700 organist in St. Anne’s, Soho, was. De melodie, net als veel andere ‘hymn tunes’ vernoemd naar zijn herkomst, verscheen in 1708 voor het eerst in een bundel met de uitvoerige titel The Supplement to the New Version of Psalms (by Dr. Brady and Mr. Tate; containing the Psalms in particular measures, the usual hymns, Creed, Lord’s Prayer, Ten Commandments, fort he Holy Sacrament, & c; with Gloria Patri’s, and tunes (treble and bass) proper to each of them, and all the rest of the Psalms). In 1861 werd de melodie in Hymns Ancient and Modern gekoppeld aan de tekst van Watts, en de twee zijn sindsdien onafscheidelijk gebleken.

De eerste regel blijkt (in de tijd dat hij gemaakt werd) niet nieuw te zijn, alsof het een archetypische opening van meerdere muziekstukken is. Adriaan C. Schuurman constateerde al dat hij voorkomt bij Henry Lawes in 1637 (A Paraphrase upon the Divine Poems van George Sandys), bij Händel (opening van de Chandos Anthem nr. 9, O Praise the Lord with one consent (klik hier); Schuurman (1977, k. 886) vergist zich overigens en denkt dat het de 6de Chandos Anthem is), en ook bij Bach, wiens eerste thema van de tripelfuga in Es aan het einde van het Dritter Teil der Klavierübung (BWV 552) grote verwantschap vertoont met de melodie van Croft, en daarom in Engelssprekende landen ook de ‘St. Annenfuge’ wordt genoemd, een gebruik dat ook in andere landen is overgenomen.

openingsmaten van de Tripelfuga, BWV 552

In het Liedboek voor de kerken (1973) was de oorspronkelijke melodie van Croft hersteld, met een halve noot aan het begin en einde van elke regel, met daartussen alleen kwartnoten; een oorspronkelijk melisma in de laatste regel werd (behalve in de eerste druk van de Koor- en Orgeluitgave) niet hersteld. In het huidige Liedboek is ook de eerste restauratie weer ongedaan gemaakt en heeft men de melodie, aansluitend bij het internationale gebruik, weer louter in kwartnoten genoteerd (met uitzondering van de slotnoten van regel 2 en 4). Daardoor klinkt zij weer zoals zij ook al lang in Engeland zelf gezongen wordt.

Karakteristiek zijn de twee stijgende kwartsprongen in de eerste regel, die degene die zingt het gevoel geven te moeten klimmen naar het einde van de regel toe. De kwartsprong komt terug in de tweede regel (zowel stijgend als dalend), die via een dalende kleine terts via de fis’ moduleert naar G en daar even kort tot rust komt op een noot van drie tellen. De dalende kleine terts, waarmee de melodie in de eerste regel al inzette, speelt ook een prominente rol in de derde regel, waarin zij (naast weer een stijgende kwart) drie keer voorkomt. Ook in de vierde regel komen er weer twee kleine tertsen voor, maar geen kwartsprong, waardoor de melodie op krachtige wijze kan terugmoduleren naar C en op de c” tot voltooiing komt, als een glorieuze overwinning en extra lading meegevend aan het ‘wees eeuwig ons tehuis’.

Auteur: Erik Heijerman

Bronnen

Alan Gaunt, ‘O God our help in ages past’. In: The Canterbury Dictionary of Hymnology.
Evert Louis Smelik en Adriaan C. Schuurman / Willem Vogel, Toelichting bij tekst en melodie van gezang 397 in Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 Gezangen uit het Liedboek voor de kerken. Amsterdam 1977, k. 885-886.
‘Songs before unknown’. Tekstboekje bij de cd The Hymn Makers, Isaac Watts – When I survey. Kingsway Music, KMCD582, 1992.
St.

Anne, op Hymnary.org.


Media

Uitvoerenden: Marcuscantorij Utrecht o.l.v. Ko Zwanenburg; Jan Hage, orgel (bron:KRO-NCRV)