Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

929 - Zoals de regen onverwacht


Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Een kort lied, slechts twee coupletten. Het werd eerder opgenomen in Zingend Geloven 6 (1998, nr. 40) en in de uitgave met verzamelde liederen van de dichter: Jij, mijn adem (2009, nr. 64). In laatstgenoemde bundel is ook een melodie van Rolf Schweizer te vinden.

Inhoud

De achtergrond of voedingsbodem van dit lied wordt gevormd door Psalm 126. De Vries zegt daarover: ‘In deze psalm is er sprake van een in de bijbelse leefwereld bekend beeld: de woestijn is dor en droog omdat er weinig of geen regen valt. Er is alleen de wadi, de droge bedding van eerdere waterlopen. In deze dorre wereld kan een stortregen alles veranderen: in een mum van tijd is alles bedekt met een groen waas en de lege bedding is veranderd in een overvolle, snelstromende beek. Dit beeld is in deze psalm benut om het moment aan te duiden, waarop plotseling een keer gebracht kan worden in het lot van het volk in ballingschap. Het is een Godswonder, een onverwacht gebeuren, je weet niet wat je meemaakt!’ (Commentaar Zingend Geloven 6)
Vooral Psalm 126,4 verwijst hiernaar: ‘Keer ook nu ons lot, HEER, zoals u water doet weerkeren in de woestijn.’ Dit beeld is in het eerste couplet verwerkt.
Maar is er in het eerste couplet sprake van het ‘onverwachte’ en het ‘plotselinge’ rond het beeld van de regen die nieuwe krachten brengt, in het tweede couplet worden deze tijds- of momentaanduidingen, nu rond het beeld van het licht, tot visieaanduidingen: ‘onvoorstelbaar’ en ondenkbaar’. ‘Te middernacht lijkt het daglicht onvoorstelbaar’, zeker in de woestijn en onverlichte streken, maar in de morgen is het ‘stralend nieuw’! Een overweldigende ervaring. Alsof de dood aan banden is gelegd. Maar ook de nacht werd zeker als een doodservaring ondergaan. Ook in deze woorden schuilt de gedachte dat de Paasnacht bij uitstek de Fundgrube is voor dit lied.

Na elk couplet volgt: ‘zo is mijn God, zo overkomt Hij mij’. Wordt in de psalm nog gesproken over ‘wij’ en ‘ons’ (Israël), de dichter maakt het in deze door allen gezongen regels heel persoonlijk. 

Aansluitend op het beeld uit het eerste couplet (regen, dorheid) wordt God de eerste keer vergeleken met ‘een bron die uitbreekt in mijn woestijn’. Bij het tweede beeld wordt dat: ‘een licht dat uitbreekt’.
De tekst en de sfeer van het lied roepen associaties op met lezingen in de liturgie van de paasnacht: Genesis 1, Jesaja 55 (Lutherse lectionarium) en Ezechiël 37.
In Jesaja 55,10-11 gaat het over het woord van de Eeuwige dat als regen en sneeuw de aarde bevochtigt, haar vruchtbaar maakt en doet uitspruiten.
Ook de regels die beginnen met ‘zo is mijn God’ komen in de paasnacht goed tot hun recht. Het ‘ik adem op, de dood ontkomen’ uit het eerste couplet refereert aan de geesteskracht, de adem (‘wind, waai over deze doden’) die over de dorre doodsbeenderen wordt uitgezonden, opdat zij leven en op hun benen gaan staan (Ezechiël 37,1-14), Hetzelfde in het tweede couplet: ‘een licht dat uitbreekt’ (over een donkere aarde, zie Genesis 1), ‘te middernacht zo onvoorstelbaar ondenkbaar, maar in de morgen stralend nieuw’ (vergelijk ook het opstandingsverhaal uit Marcus 16,2). En vooral natuurlijk het ‘ik adem op’ en het ‘ik sta op’, beide keren gevolgd door: ‘de dood ontkomen’.

Liturgische bruikbaarheid

Het lied is dus heel geschikt voor de paasnacht (bijvoorbeeld na de doopgedachtenis, voor de Maaltijd van de Heer), en zeker ook voor de paastijd.

Auteur: Nico Vlaming


Melodie

‘Zoals de regen’ is een lied in een hybride vorm. Het is een refreinlied, maar de twee refreinteksten zijn net niet gelijk. De voorzangverzen lijken een vaste opbouw te hebben, maar het tweede gaat halverwege een geheel andere kant op. Ook zijn de voorzangverzen exclusief voor meerstemmige uitvoering door een koor of cantorij gedacht; de melodiek steunt dermate op de akkoorden dat bij eenstemmige uitvoering een groot deel van het karakter van deze compositie verloren gaat.

De vorm van dit lied is gedeeltelijk te verklaren uit de eerste vorm waarin het verscheen, geschreven op 8 februari 1996 en in het najaar van 1999 uitgegeven in Amsterdamse Katernen 24. Het betreft hier een uitgave met koorstukken: Bijbelse motetten en kantieken voor koor. Dezelfde tekst leidde in deze uitgave tot een koorlied met allerlei uitvoeringstechnische aanwijzingen op dynamisch (piano, forte) en expressief vlak (ritenuto, maestoso). Ten behoeve van opname in Zingend Geloven 6 (nr. 40) heeft Willem Vogel vrij spoedig zijn noten herzien en de compositie bruikbaar gemaakt voor koor en gemeente. Deze, hier te bespreken, versie vond via Zingend Geloven 6 (voorjaar 1998) eerder haar weg naar de gebruikers dan de aanvankelijke koorversie.

Zoals gezegd is het nauwelijks mogelijk de melodie van de voorzangverzen te bespreken zonder direct de meerstemmigheid erbij te betrekken. Die akkoorden zijn over het algemeen basaal en eenvoudig. Ze lijken te zijn weggelopen uit de sonore Russisch-orthodoxe kerkmuziekstijl. Het is dezelfde techniek – én dezelfde toonsoort – die Vogel toepaste in de tafelzegen ‘Gezegend zijt gij, eeuwige God’ (Liedboek 229).

Het parallellisme in de tekst van het eerste voorzangvers ondersteunt Vogel door de openingsfrase te herhalen in ‘ingedikte’ vorm. Dat de daarvoor benodigde versnelling precies valt op het woord ‘plotseling’ zal geen toeval zijn. Na de uit het eerste voorzangvers gekopieerde noten waarmee het tweede vers opent, sluit Vogel die zin af met een net andere melodienoot (c” in plaats van a’), het attentiesignaal voor een verandering in het verdere verloop. Vervolgens grijpt de componist de zinsnede ‘maar in de morgen stralend nieuw’ aan om dat vers een volledig andere wending te geven. Vooral akkoordverbinding G-groot – Bes-groot – G-groot op het woord ‘stralend’ is (door de querstand b’-bes-b’ tussen sopraan en bas) een opvallend moment waarop de componist het licht laat doorbreken in de keuze van zijn samenklanken. Het vers sluit af op lang doorklinkende basnoten (van twee maten elk). Is dat de verklanking van ‘de nacht aan banden legt’?

In het refrein tapt Willem Vogel uit een ander vaatje. Waar de voorzangverzen gebouwd zijn op de akkoorden en bestaan uit secunden en kleine tertsen, vervult in het refrein de melodie de leidende positie en worden allengs de intervallen groter.
De melodie heeft aanvankelijk iets van een kleuterdeun en – voor geïnteresseerden in hymnologie wellicht sprekender – is gebouwd op het motief waarmee het gregoriaans Te Deum begint (mi-sol-la). Als het openingsmotief wordt herhaald, ligt het volgende muzikale gegeven er al weer dakpansgewijs overeen. Het refrein krijgt daardoor vaart, genoeg vaart om door het melodisch ‘dalletje’ (notenvoorbeeld: begin tweede notenbalk) heen te komen en dan een terts lager het openingsmotief te hernemen (‘ik adem op’ respectievelijk ‘en ik sta op’) om ten slotte via grote intervallen de slottoon te bereiken.

Wat is gebleven uit de eerdere compositie bij dit lied zijn de aanwijzingen met betrekking tot de uitvoering (leggiero, dynamiek, marcato, portato). De componist geeft zelf het tempo aan: MM=55 voor de gepuncteerde halve noot.

Auteur: Christiaan Winter

 In de begeleidingsbundel (tot en met vijfde druk) staan enkele fouten:

  • 1e bladzijde, 2e systeem, 5e maat, orgelbegeleiding tenor moet zijn: kwartnoot a, gevolgd door halve noot c’;
  • 2e bladzijde, 1e systeem, 5e maat, orgelbegeleiding alt moet zijn: halve noot d’, gevolgd door kwartnoot e’;
  • zelfde maat, orgelbegeleiding baspartij moet zijn: halve noot d, gevolgd door kwartnoot c;
  • 2e bladzijde, 1e systeem, slotmaat: orgelbegeleiding tenor moet zijn c’ i.p.v. a;
  • 2e bladzijde, 2e systeem, 5e maat, orgelbegeleiding tenor gepuncteerde halve en niet halve en kwart;
  • 2e bladzijde, 2e systeem, slotmaat: b in de orgelbegeleiding moet een bes

Media

Uitvoerenden: Sweelinckcantorij Amsterdam o.l.v. Christiaan Winter; Christiaan de Vries, orgel; Lixel Huijts, klarinet