Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

938 - Christus die u wilt tooien


Anton Metske
Antwerpen 1539
Ik wil mij gaan vertroosten

Tekst

Ontstaan

Anton Metske schrijft regelmatig liedteksten, nagenoeg steeds voor gebruik in zijn vroegere praktijk als pastor van dak- en thuislozen in het centrum van Arnhem. Op verzoek stelde hij een selectie van deze liedteksten ter beschikking van de liedboekredactie. Deze koos daaruit twee teksten. Naast dit lied is ook de tekst van Liedboek 524 van zijn hand.
De dichter heeft zich laten inspireren door een uitspraak van Calvijn waarin hij zegt dat Christus naar ons toe komt in het gewaad van de Schrift, de verzameling boeken van het Oude- en Nieuwe Testament. Daaraan koppelde hij verschillende bijbelse motieven, zoals het verhaal van de vrouw die aan bloedverlies leed (Matteüs 9,20-22) en de worsteling van Jakob met de onbekende bij de rivier de Jabbok (Genesis 32,22-32). In beide verhalen gaat het om iemand die de ander aanraakt om iets goeds te ontvangen. Een dergelijk motief is ook te vinden in Matteüs 14,36 en Marcus 6,56.

Inhoud

Het lied bestaat uit twee strofen waarin Christus wordt aangeroepen. De presentie van Christus is nauw verbonden met de aanwezigheid van de Schrift. Deze fungeert als de kleding die Christus heeft aangetrokken.
Beide strofen laten inhoudelijk een parallellie zien. Christus laat zich vinden in het gewaad van de Schrift. De dichter grijpt zich vast aan dat gewaad om bevrijding en zegen te ontvangen.
De tekst heeft een hartstochtelijk en innig persoonlijk karakter.

Strofe 1

Christus wordt in de eerste regel aangeroepen. Hij is weliswaar niet onder ons, maar Hij wilde zich tooien in het gewaad van de Schrift. Zo is Hij onder ons present.
Met enkele woorden tekent de dichter zichzelf als een kwetsbaar en geschonden mens. Zijn bestaan is op drift geraakt. Hij heeft kansen gemist, dingen gedaan of niet gedaan waarvan hij spijt heeft en waarvoor hij zich schaamt.
Met deze gebrokenheid neemt hij zijn toevlucht tot de Schrift als tot het gewaad van Christus. Hij bergt zich in haar plooien (regel 3) en zo raakt hij Christus aan, wordt als het ware een met Hem. Hij verschanst zich daar (regel 7), alsof hij onopgemerkt wil blijven, zoals de bloedvloeiende vrouw. Maar het verschansen in het gewaad van de Schrift geeft uitzicht op bevrijding (regel 8). De woorden van de Schrift kunnen als verrassend nieuw en bevrijdend klinken in de verkondiging en het persoonlijk pastoraat.

Strofe 2

Opnieuw wordt Christus aangeroepen. De nauwe band die Christus heeft met de Schrift wordt met iets andere woorden uitgedrukt. In wat geschreven staat laat de Heer zich vinden. Daarin komt tot uiting wie Hij is en hoe Hij is. Omgekeerd is de dichter voor de Heer geen onbekende. Hij weet terdege wat hem lijden laat. Wat dat is wordt niet met zoveel woorden gezegd. Te denken valt aan de gemiste kansen, schaamte en spijt uit de eerste strofe, maar er kunnen ook andere oorzaken van het lijden worden ingevuld.
De toon in de laatste vier regels wordt heftiger. Bij de vrouw die aan bloedverlies leed, zie je een mens die heimelijk van achteren de zoom van Jezus’ mantel aanraakt. Hier is dat heimelijke verdwenen. Het is vastgrijpen en niet meer loslaten. Het doet denken aan het verhaal van Jakob bij de Jabbok. Dat krijgt hier een nieuwtestamentische lading. De Schrift als het kleed van Christus wordt door de dichter vastgegrepen, net zo lang tot Christus zelf zich naar hem toewendt en hem zegent. Ook is een link te leggen met Zacharia 8,23 waar geprofeteerd wordt dat tien mannen uit de volken een joodse man bij de slip van zijn mantel zullen grijpen met de woorden: ‘Wij willen ons bij u aansluiten, want we hebben gehoord dat God bij u is.’

Liturgische functie

Het lied is opgenomen onder de rubriek ‘Geloven’ en daarbinnen in de subrubriek 'Vertrouwen'. Het kan functioneren in het persoonlijk pastoraat en in de context van boete en verzoening. In de eredienst kan het een plaats krijgen rond de lezingen uit de heilige Schrift.

Auteur: Jan Groenleer


Melodie

Voor een toelichting bij de melodie, zie Liedboek 562.