Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

960 - Hier leggen wij zijn/haar lichaam neer


Ad den Besten
Wittenberg 1533
Komm, Gott Schöpfer, Heiliger Geist

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Het lied ‘Nun laßt uns den Leib begraben’ is in Duitsland vele eeuwen een geliefd begrafenislied geweest. Het betreft een tekst van Michael Weisse (1488?-1534) met een slotstrofe van Martin Luther (1483-1546). Dat de tekst terug zou gaan op de hymne ‘Iam maesta quiesque querela’ is nauwelijks te staven. Volgens Johannes Kulp hebben beide teksten niet meer gemeenzaam dan dat zij beide voor een begrafenis bestemd zijn (Die Lieder unserer Kirche, Göttingen 1958, 265). Wel heeft Weisse zich laten inspireren door een Tsjechische hymne van Lukas von Prag (Lukáš Pražský, ±1460-1528), het begrafenislied ‘Rozžehnegmez se s tím tělé’, verschenen in het Tsjechische gezangboek van de Böhmischen Brüder in 1519. Dit gezangboek is verloren gegaan. In New Gesengbuchlen (1531), het eerste Duitstalige gezangboek van de Böhmischen Brüder, is het lied van Weisse voor het eerst opgenomen.
Het lied van Michael Weisse verscheen nog in Evangelisches Kirchengesangbuch (1950, nr. 174). De Arbeitsgemeinschaft für ökumenisches Liedgut (AöL) maakte in 1978 een aanpassing van de tekst: ‘Nun legen wir den Leib ins Grab’. In die versie is het te vinden in Evangelisches Gesangbuch (1994, nr. 520).

De tekst van Michael Weisse spreekt dualistisch over lichaam en ziel, wel het duidelijkst in de oorspronkelijke strofe 5:

Die Seel lebet ohne alle Klag,
der Leib schläft bis an’ jüngsten Tag,
an welchem Gott ihn verklären
und ewig Freud wird gewähren
.

Vanwege dat dualistische karakter van de tekst vond Ad den Besten een vertaling niet aan de orde. Maar de melodie inspireerde hem. Zo ontstond een contrafact: ‘Hier leggen wij zijn/haar lichaam neer’.

Het lied verscheen in Zingend Geloven 2 (1983, nr. 119) met daarbij de melodie ‘Nun lasst uns den Leib begraben’. De tekst is opgenomen in de bundel Poëzie om te zingen (Zoetermeer, 1998, blz.58). In het Liedboek kreeg het lied een plaats met de melodie ‘Komm, Gott Schöpfer, Heiliger Geist’ (zie verder de rubriek Melodie).

Inhoud

Strofe 1

De dichter verplaatst ons met de eerste woorden van zijn lied naar een begraafplaats.
De strofe beschrijft de handeling die aan het slot van de begrafenis in kleine of grotere kring plaatsvindt. De overledene wordt in zijn/haar graf gelegd.
In de woorden ‘afstaan aan de aarde’ klinkt de pijn mee om voorgoed een mens los te moeten laten. Het moment om afstand te nemen is onontkoombaar.
De derde en vierde regel roepen de beelden op van de schepping van de mens, zoals deze beschreven is in het tweede scheppingsverhaal (Genesis 2,7). Het sterven, concreet gemaakt in de levensadem die het lichaam verlaat, wordt hier beschreven als een terugkeer naar God, de schenker van de adem, het leven zelf. Het woord ‘levensadem’ vinden we voorts in Liedboek 713:2: ‘Hij schenkt de levensadem, / Hij geeft de levensgeest’. In het Bijbelse idioom worden adem en geest in nauwe samenhang gezien en in één woord gevat.
In 1 Koningen 17,17-24, het verhaal van de weduwe van Sarefat en haar zoon, komt het woord levensadem een aantal malen voor en ook daar is het de Eeuwige die erkend wordt als de schenker en Heer van de levensadem.
Het onlosmakelijk verband tussen de adem van de Eeuwige en ons bestaan als mens wordt onder andere verwoord in Psalm 104,30: ‘Zend uw adem en zij worden geschapen, / zo geeft U de aarde een nieuw gelaat’.

Strofe 2

We mogen weten dat de overledene teruggekeerd is naar God, de levensadem staat voor de levende mens. Daarnaast mag de belofte uitgesproken en gehoord worden dat de overledene die in Christus was in Hem zal blijven tot de jongste dag. In deze woorden horen we de noties terug uit het evangelie van Johannes, waarin het zijn en blijven in Christus op diverse plaatsen voorkomt (Johannes 6,56; 14,20; 15,5-7).
De dichter beperkt deze belofte niet tot het ene graf waar we om heen staan, maar spreekt in meervoud van ‘graven’. Ik hoor in dit meervoud dat de dichter de breedte en royaliteit van Christus’ liefde tot uitdrukking wil brengen.
De dichter lijkt met de woorden ‘de jongste dag’ te verwijzen naar wat ook wel de ‘dag van de Heer’ wordt genoemd, de aanvang van het Koninkrijk van God, dat dan gedacht wordt aan te breken aan het eind van de aardse geschiedenis (1 Korintiërs 1,8; 2 Petrus 3,10).
Strofe 1 ziet op de terugkeer van de mens c.q. de levensadem naar God, strofe 2 bevat een hoopvolle blik op de toekomst.

Strofe 3

We staan rondom het graf en daarmee wordt op de strofe1 teruggegrepen. De dichter gebruikt het bij de doop geliefde beeld dat onze namen geschreven staan in de palm van Gods hand (‘Ik heb je in mijn handpalmen gegrift’, Jesaja 49,16). Het is onze naam die ons tot een uniek mens maakt en die naam is geborgen bij God, in zijn gedachtenis die heden, verleden en toekomst omspant.
De derde regel verwijst naar God die ons het leven schenkt en dat leven is niet ons bezit (‘te leen’).
De slotregel verwijst naar Matteüs 22,32; Marcus 12,27 en Lucas 20,38.

Liturgische bruikbaarheid

Dit lied is bestemd om gebruikt te worden bij de graflegging tijdens een uitvaart en kan gezegd of gezongen worden.
Op de dag van de uitvaart van Ad den Besten op 7 april 2015 werd het lied gezamenlijk gezongen als afsluiting van de begrafenis op Zorgvlied te Amsterdam.

Auteur: Arie Broekhuis


Melodie

De melodie van het lied Nun lasst uns den Leib begraben is in het Liedboek niet overgenomen. Bij een graflegging is een algemeen bekende melodie wenselijk die zonder begeleiding gezongen kan worden. De muziekredactie koos voor de melodie van ‘Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer’ (Liedboek 360).